Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/71

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

63

by muisjens vergeleek die staartjens hebben zouden, zoo hield men het er met reden voor dat zy meer zag dan een ander. Mevrouw DORBEEN daarentegen was een rammel, trotsch op haar mevrouwschap, haar muts, en haar echtgenoot; ik had van haar hooren spreken als van iemand die heel mooi een vers opzei, dat ik wel geloofde, daar zy sterk braauwde, en zeer rollende bruine oogen bezat.

De manszuster van mejuffrouw VAN NASLAAN heette MIETJEN, en was volstrekt niets dan een goed mensch.

Met uitzondering van deze die niets, en van de lieve zeventienjarige die zeer weinig sprak, praatten de drie dames byna allen te gelijk, en de heeren by het vuur zongen er de tweede party toe. Byvoorbeeld:

"Hoor eens, me lieve juffrouw STASTOK," zei mejuffrouw VAN NASLAAN, haar breiwerk neerleggende en haar wijsvinger op de hand van mijn tante drukkende: "Hoor eens, me lieve juffrouw STASTOK; je hoeft er me niets van te zeggen; ik weet" (hier kneep zy hare oogen op eene intéressante wijze dicht) "ik weet dat allemaal wel; ik ken die menschen door en door; en zoodra als ik hoorde dat KEETJEN dat in 't hoofd had, wist ik wel hoe de vork in den steel stak." Hierop nam zy haar breiwerk weer op, en telde de steken na van het naadtjen, waar zy aan bezig was.


"Ja maar, KOOSJEN"! " rammelde mevrouw DORBEEN, voorby MIETJEN VAN NASLAAN heen sprekende, en die met haar roode linten zoodanig voor de oogen schitterende, dat de goede ziel den anderen dag betuigde, er wee van te zijn geworden: "je kunt je niet begrijpen hoe druk DORBEEN het heeft; dat is van den ochtend tot den avond; daar hadtje nog van morgen mijnheer VAN DER HELM," (deze was, moet men weten, de grootste heer uit de stad, wiens zaken DORBEEN waarnam) "daar hadtje nog van morgen mijnheer VAN DER HELM, al vóór den ontbijt; hy ging op de jacht, en wou DORBEEN nog eerst spreken; nu is hy gelukkig heel eigen by ons, zoodat het er niet op aankwam dat DORBEEN nog niet gekleed was; maar zoo gaat het dag op dag; nu heb ik het óók wel druk met de kinderen, maar ik zei tegen DORBEEN: weetje wat, ik ga er zelf maar eens op af. Nu is DORBEEN daar altijd heel wel van, en vindt het altijd goed zoo als ik het maak....."


"Jufvrouw MIETJEN, nog niet een roomsoesjen?" vroeg mijn tante — "jy ook niet, KOOSJEN? Wel kind! wat heb ik je in lang niet eens hier gezien. Het heugt me nog dat je met PIETER speelde. Ja, kleine kinderen worden groot, KOOS!"

"Dat zeg ik zoo dikwijls," zei mejuffrouw VAN NASLAAN. "Waar