Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/73

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

65

voegen: "Och KOOSJEN! zoo is hy altijd; trouw nooit, kind, want de mannen laten er haar vrouwen altijd inloopen."

PIETER was intusschen achter den stoel van KOOSJEN gaan staan rooken, en werd op deze woorden bleek. Hy gevoelde dat hy er nooit iemand, laat staan een vrouw, laat staan de zijne, in, zou, kunnen, doen, loopen.

Daar nu toch de muur gevallen was, die op dergelijke byeenkomsten, welke men in de burgerkringen "een kopjen thee en verder het avondtjen te passeeren", of ook wel een "presenteertjen", of een "aangekleede pijp", of "een aangekleeden boteram" noemt; daar nu toch zeg ik de muur gevallen was, die op dergelijke byeenkomsten de mannen van de vrouwen scheidt, en er als 't ware eene verbroedering der beide seksen had plaats gehad, en daar mevrouw DORBEEN op eene ongezochte wijze het voorwerp der algemeene opmerkzaamheid geworden was, vond mijn oom goed met een verzoek voor den dag te komen, dat hy reeds lang op 't hart had gehad.

"Nu, mevrouw! maar je zult toch ons en de vrienden wel een plaizier willen doen."

"Wel zeker, mijnheer STASTOK!" en zich met eene bescheidenheid groote genien eigen, spoedig tot mejuffrouw VAN NASLAAN wendende, wat heb je daar een lief patroontjen van een kraagjen om!"

"Ja, mevrouw!" was het andwoord; "ik zeg altijd: duurkoop goedkoop. Want ik vind dat het beste goed het 'et beste uithoudt. Ik had het in den winkel by VAN DROMMELEN gezien, en ik zeg tegen mijn kinderen, als ik nu reis weer jarig ben...."

"Hoor eens," zei STASTOK tegen DORBEEN: "je moet maken dat je vrouw reis reciteert, hoor."

"Heeremijntijd ja, je moet stràk stellig reis reciteeren, lieve mevrouw!" zei mijn tante met eenige ongerustheid, en op het woord strak zoo veel kracht leggende als zy in bescheidenheid doen kon.

"Och toe, mevrouw!" zei KOOSJEN met een allerliefste uitdrukking van gelaat.

"Hè ja!" zei MIETJEN met de kalfsoogen.

"We moeten mevrouw niet overhaasten;" zei mijn tante.

"Neen!" zei mevrouw DORBEEN, eenigzins bleek wordende: "Als het dan moet, moet het in eens maar. Wat wil je hebben? Kom, het Rhijntjen dan nog maar reis." En haar schaar opnemende, om die onder 't opzeggen by iederen nieuwen regel open te doen, en by 't invallen der cæsuur toe te knijpen, begon zy met een door confusie wat heesche stem, die gedurig scheller werd:

Zoo rust dan eindlijk, 't ruwe noorden.
Van hageljacht en stormgeloei,
En rolt de Rhijn weer langs zijn boorden,
Ontslagen van den winterboei.