Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/76

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

68

Waarop mevrouw DORBEEN, haar oogen zeer sterk op den snuit van den olifant gevestigd houdende, op een aardig toontjen zei:

"Als die vreemde heer ons dan ook eens schadeloos wou stellen!"

"Mijnheer HILDEBRAND kan immers ook wel een kleinigheid!"

"Dat was goed, " zeiden allen, en mijn oom keerde zich om, om effen op zijn horloge te kijken; want hy wou om de dood niet graag dat er nachtwerk van wierd. Men stopte versche pijpen; de heeren gingen zitten; de heer VAN NASLAAN met een zucht; de heer DORBEEN met het oog van een kenner; PIETER met dat van een verachter; mijn oom met dat van iemand die pas op zijn horologe heeft gekeken en halftien heeft ontwaard. Ik stoorde my volstrekt niet aan de heeren; en plaatste my zoo, dat ik het lieve gezichtjen van KOOSJEN vlak voor oogen had; men moet wat hebben voor de moeite.

"Ik zal," zeide ik, toen alles doodstil was, "het gezelschap lastig vallen met een klein versjen. 't Is een vertaling van een mijner vrienden, en uit het fransch."

"Uit het fransch!" herhaalde de heer VAN NASLAAN, met een bedenkelijk gezicht mijn oom aanziende.

"Kom aan, dat 's goed!" zei mevrouw DORBEEN.

Alles was doodstil om den vreemden stoethaspel te hooren, maar geene der dames zag hem aan; vermits hare loffelijke bescheidenheid dit nooit gedoogt, als men in gezelschap iets voor haar opzegt; met uitzondering van mevrouw DORBEEN, die scheen te willen weten "of hy goed met zijne oogen rollen zou." KOOSJEN zat hevig te festonneeren, en ik zag niets dan haar gescheiden hair. Ik begon:

Als 't kindtjen binnenkomt —

Pie-ie-iep! zei de deur, langzaam opengaande, en binnen kwam geenszins een kindtjen, maar de vijftigjarige dienstmaagd in haar witte pak, belast en beladen met den aangekleeden boteram in persoon, in de gedaante van een schat van broodtjens met kaas en rookvleesch, en een macht van ster-, ruit-, cirkel-, klaverblad, en vischvormige gebakjens, die ondanks hunne verschillende gedaante, wegens de evenredigheid van hun inhoud, in het dagelijksch leven den wiskundigen naam van evenveeltjens dragen.

Mevrouw DORBEEN kon een klein lachjen van zenuwachtige voldoening niet onderdrukken. Er werd rondgeprezenteerd, en ik wreekte my over de stoornis met een evenveel: en toen die op was, hervatte ik vol moed; ofschoon de uitwerking van den eersten regel bedorven was, en ik duidelijk zag dat de droogkomieke heer DORBEEN, toen ik de eerste woorden herhaalde, nog weer aan de vijftigjarige dienstmaagd dacht;