71
grepen hebben, maar haar glinsterende oogjens en bleeke wangen zeiden genoeg dat zy de poëzy verstaan en gevoeld had.
"Van wien is het gedicht?" vroeg de heer VAN NASLAAN.
"Van VICTOR HUGO, mijnheer."
"VICTOR HUGO?" zeide hy, den klemtoon op den eersten lettergreep leggende en met een uitspraak als of er, in plaats van ééne fransche, vijfentwintig goede hollandsche G's in 't woord geweest waren. "Ik dacht dat die man niet dan ijsselijkheden schreef. Ik heb in de Letteroefeningen, dunkt my.... Hè, dat ontschiet me; ik dacht dat het zoo'n bloederig man was.
"Ik weet niet, mijnheer!" andwoordde ik.
"Verwar je hem ook met JAQUES JULIN?" vroeg de makelaar.
"Is dat die, die dat boek over BARNEVELD geschreven heeft, dat we laatst in 't leesgezelschap gehad hebben?" vroeg oom ter zijde aan PIETER[1]
"Ja," zei mijnheer de makelaar. "Dat is een rare kerel, naar ik hoor. Hy schrijft voor geld, mijnheer; hy schrijft voor geld; pro en contra schrijft hy voor geld."
"Ja," zei oom, zijn pijp uitkloppende, die franschen! 't is een raar volk, al zeg ik 't zelf."
"Weetje wat ik ook altijd al een heel mooi verzenboek vind?" zei mejuffrouw VAN NASLAAN, het gezelschap rondziende: "het Nut der Tegenspoeden."
"Wat?" vroeg de heer DORBEEN, drooger en komieker dan ooit: "het nut der regenhoeden?"
Er ontstond een groot gelach over deze aardigheid, hetwelk mejuffrouw VAN NASLAAN min of meer verlegen maakte; zy besloot dus haar lofrede over het bekende geschrift van LUCRETIA WILHELMINA, die voor een algemeen gesprek in de wieg gelegd was, als privaat gesprek den geest te laten geven.
"Indedaad " fluisterde zy mijne tante in: "het is een heerlijk boek, en door een vrouw geschreven, maar ik kan je zeggen, dat je 't met geen drooge oogen lezen kunt."
Het gesprek werd spoedig weder algemeen en levendig. Ik maakte veel werk van de zeventienjarige, en PIETER week niet van haar stoel. Ik poogde hem telkens te bewegen om ook reis iets te reciteeren, of te zingen, of zoo; maar hy zei altijd, met een knorrig gezicht, "och kom!" en "ik kan waaratje niets?" en hard wilde ik er niet op aandringen, omdat ik oom nog al eens weer op zijn horloge had zien kijken. Er kwam dus niets van, en ook moet ik bekennen dat de familie STASTOK, door middel van den muzikalen olifant, tot het ge-
- ↑ Ik waag de gissing dat " Barnave, par JULES JANIN mijn goeden oom en zijnen vriend door 't hoofd gespeeld heeft.