Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/81

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

73

Ik wilde meer van dit alles hebben.

"Goeden morgen, PIETER;" riep ik, toen de keukenmeid den anderen morgen om zes ure als gewoonlijk hare knokkels op de kamerdeur had laten spelen, zonder dat ik evenwel mijn bedgordijnen openschoof; ik kon genoeg van hem zien.

"Goeden morgen, neef!" zei hy, op den rand van zijn bed in gedachten zittende, en nog zonder bril.

"Ik heb waarlijk van KOOSJEN VAN NASLAAN gedroomd!"

PIETER bloosde, en bukte om een kous aan te trekken, met zoo veel inspanning dat het lijken moest als of hy daarvan alleen een kleur kreeg.

"Zoo," zei PIETER.

"Ja," zei ik, "'t is een heel mooi meisjen."

"Vindje dat?" vroeg PIETER, zijn tweede kous aantrekkende en naar de waschtafel gaande. Ja 'et is een lief gezichtjen, maar zoo heel mooi kan ik ze maar niet vinden."

"Niet? " riep ik verwonderd en ging overeind zitten.

"Waaratje niet!" zeide hy. Liefde die haar voorwerp verloochent verraadt zich ontegenzeggelijk.

"Ik wou dat meisjen wel wat nader leeren kennen, PIET! Zou er geen kans op zijn haar tusschen nu en overmorgen nog eens te ontmoeten?"

"Ik weet het niet," andwoordde PIETER, de lampetkom óverschenkende; "ga haar een visite maken.""

"Dat gaat niet, jongen!" zei ik; maar weet je er niets anders op?"

"Wel neen!" sprak PIETER.

"Ik dan wel!" zei ik, uit het bed springende. Zeg reis, PIET," ging ik hem sterk aanziende voort; "hoe komt het dat je je bril vergeten hebt? —Kijk, 't is alledag heerlijk weer; we willen een roeischuitjen huren, en we gaan KOOSJEN en nog een andere dame van je kennis, liefst van je familie, vragen om ons de eer aan te doen "eens met ons te gaan varen."

"Varen?" vroeg PIET op den toon der alleruiterste verbazing.

"Wel ja, varen; dat 's om te praten en te minnekozen veel beter dan rijden. Of wou je niet minnekozen? Heidaar, jongen! waarom trek je je pantalon verkeerd aan?"

"Och!" zei PETRUS, de knorrigheid van gisteren weer opvattende:

"schei er uit met die gekheid. Ik bedank om door jou geplaagd te worden."

"Jongen!" zei ik, "dat verstaje verkeerd. Ik plaag je niet; ik vraag maar of je niet wilt minnekozen?"

"Minnekozen," hernam hy, met een schuinschen blik vol gramschap, van onder zijn bril uit, en lippen dik van toorn - "minnekoos jy zelf!"

"Met plaizier, beste vrind! maar de meisjens willen my niet hebben Ik ben te leelijk."