74
"Je kunt mooi genoeg praten — mijnheer!" zei PIETER, met de tanden op elkaar, en bevende van haat.
"Ja!" andwoordde ik lachende, "maar ik geloof toch wel dat jy beter kunt minnekozen!"
Er kwam geen andwoord. PIETER haastte zich schrikkelijk met kleeden, en liep de trappen af. Toen ik beneden kwam, zat hy veilig onder de vleugelen van zijn ouders een pijp te rooken, als een fransch romanticus zeggen zou: "enveloppé de sa colère."
Na den ontbijt ging hy in den tuin; ik volgde hem op de hielen.
"Laat me gaan," riep hy met een gezicht als een oorworm.
"Neen," zei ik, mijn hand uitstekende; je moet niet boos zijn, PIET! Wat drommel; is nu 't woord minnekozen een woord om "boos te worden? Als ik u was, ik zou veel boozer zijn over 't woord Instituten."
PIETER glimlachte pijnlijk.
"Maar weetje wat? Ik zal van de heele zaak niet spreken; maar we gaan roeien, man! we gaan roeien met de dames. Kan je roeien?"
"Wel, ik denk ja!, zei PIETER pedant.
"Wil je roeien?"
"Ja wel."
"Wil je dames vragen?"
"Zy zullen niet willen."
"Dat vraag ik niet. Wil jy? Hoor reis, PIET, ik beloof je dat ik "discreet zijn zal."
"Nu ja," zei hy, "ik wil wel."
Het plan werd aan vader en moeder medegedeeld, en er werd besloten dat wy behalven KOOSJEN, nicht CHRISTIENTJEN zouden vragen, eene jonge juffrouw van drieëntwintig jaar, die zeker gaarne meê zou gaan, daar zy niets te doen had dan by eene knorrige tante te zitten, die twee meiden hield, en nooit uitging.
Wy gingen er dus op uit om een schuitjen te huren; en nadat wy eerst by een schuitenmaker aan de oostpoort geweest waren, die het zijne had verkocht "om dat er geen profijt by was," en die ons naar de westpoort zond, waar hy zeker wist dat wy er een konden krijgen; en nadat wy bevonden hadden, dat er aan de westpoort niets meer van boven water stak dan effentjens een klein neusjen van den steven, vonden wy er eindelijk een zeer goed in het midden van de stad, dat wy voor een gulden voor eenen geheelen achtermiddag huren konden. Wy huurden het dus voor den geheelen achtermiddag van den volgenden dag, en kweten ons vervolgens van onze uitnoodigingen, die op eene innemende wijze werden aangenomen. Mama VAN NASLAAN was er voor hare dochter zeer vereerd meê; schoon zy, geloof ik, wel dacht dat er meer achter zat, en dat ook dit muisjen een staartjen hebben zou; en de oude tante hoopte tienmaal in het