Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/83

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

75

half uur dat het niet te koud op het water wezen zou, wat wy trouwens ook hoopten, schoon wy het tegendeel vreesden. Wy bepaalden onderling dat KOOSJEN meer byzonder onder de zorgen van PIETER staan zou, en ik my meer dadelijk tot den cavalier van CHRISTIENTJEN zou opwerpen. Ik kon niet edelmoediger zijn. PIETER was dan ook volmaakt in zijn humeur, en tantelief pakte ons nog dienzelfden dag een mandtjen met rhijnwijn en sinaasappelen[1] eene verfrissching, frisch genoeg in de maand october. Wy hadden de dames verzocht mantels meê te nemen. De andere dag was een allerheerlijkste najaarsdag, en alles beloofde genoegen. Maar toen PIETER des voormiddags van eenige boodschappen, die hy voor zijn toilet te doen had, thuis kwam, stond zijn aangezicht akelig bedroefd; hy smeet met de deur, smeet zijn rotting, smeet zijn hoed, smeet zijn handschoenen.

"Wat scheelt er aan, amice?" vroeg ik verschrikt.

"Och, die ellendige DOLF;" zei hy, zich tot zijn moeder wendende. Nu was er zeker geen menschennaam in de vijf warelddeelen, die in staat was aan mejuffrouw DEBORA STASTOK, en in 't algemeen aan alle tedere moeders, in geheel D., een grooter schrik aan te jagen, dan diezelfde naam DOLF, die den niets argwanenden lezer onmogelijk aan iets anders kan doen denken dan aan deszelfs volkomener vormen ADOLF, RUDOLF, of des noods LUDOLF; maar welke naam aan mejuffrouw DEBORA STASTOK, en zoo als ik zeg aan alle tedere moeders in geheel D, niet anders voorkwam dan als een kort begrip der eeretitels: katäas, straatschender, verkwister, lichtmis, lap, deugniet en leeglooper; immers hy behoorde aan den persoon, met wien ik reeds in het koffyhuis de Noordstar de eer had gehad kennis te maken, in één woord: aan den heer RUDOLF VAN BRAMMEN, die na in zijn jeugd bekend te hebben gestaan voor een ondeugenden kwâjongen, die het zijn ouders en zijn meesters te kwaad maakte, alle avonden puistjen vong, en alle meisjens om zoenen plaagde, een paar jaren te Leiden, op naam van jur. stud., in dien toestand had verkeerd dien men aldaar sjouwen noemt, zonder dat zijn vader toen recht wist wat hy er eigenlijk deed dan veel geld verteeren, terwijl hem echter naderhand bleek dat hy behalven die bezigheid zich ook nog aan de liefhebbery van schulden maken had toegegeven. Na dien tijd had hy, nu reeds een jaar of drie, op zijn vaders kosten, die gelukkig een welgesteld man was, een ander beroep uitgeoefend, hetwelk men (almede te Leiden) den vereerenden naam van dweilen geven zou, tot groote ergernis der Deënaars, die veel nieuwsgieriger waren wat er nog eens van hem wor-

  1. Sinaasappelen zijn schaarsch in October. Ze zijn er echter nog by menschen als mijne tante, die van sparen en bewaren weten.