Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/84

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

76

den zou dan de heer RUDOLF VAN BRAMMEN zelf. Hy deed evenwel geen openlijk kwaad, dronk een redelijken borrel; woonde alle publieke vermakelijkheden, tot het optrekken van de wacht en het boomenrooien op de stadscingels toe, by; imiteerde alle publieke personen, wandelde veel, billiartte veel, werd veel dik, verkocht vele grappen; en was zeer populair. Het was dus niet te verwonderen, dat mijn tante op het hooren van den enkelen naam van dezen onmensch een koude rilling over haar rug gevoelde. Indedaad, ik geloof dat heur hairen onder den kornet te berge rezen.

"Wat is er nu weer met hem gebeurd?"

"Gebeurd!" riep PIETER mistroostig uit, en zijn oogen vonkelden onder zijn bril: "niets. Maar hy wil meê uit roeien." En hy zag my stijf in 't gezicht, om my al de ijslijkheid van deze Jobstijding te doen gevoelen.

"Als hy maar een dame meêbrengt, zei ik — dan is 't my wel. "

"Ja, daar komt het door aan. 't Is zijn zuster; die malle meid! CHRISTIENTJEN heeft haar verteld dat ze met KOOSJEN, en my, en een leidsch student uit varen ging, en toen wou ze met alle geweld ook meê. Als ik reis wat doen wil!..."

"KOOSJEN, en my, en een leidsch student!" PIETER zou in ieder ander geval gezegd hebben: KOOSJEN, een leidsch student en my; maar hy was verliefd, en het lustte hem in deze omstandigheid de plaatsen aldus te schikken.

"Hoor reis," zei tante, gerustgesteld door het meêgaan van de zuster, die by de bevolking van D, eene verontschuldiging was voor de tegenwoordigheid van den broêr: MEELTJEN is een heel ordentelijk " meisjen, en ze heeft altijd heel goed opgepast op school en overal. Daar moet je niet van zeggen. Ze moeten dan nu maar meê."

"Och, mijn plaizier is er nu al weer af," bromde PIETER, en verliet de kamer, om in zijne desperatie nog wat aan zijn tabellen te gaan knoeien.

Ik had ondertusschen de ontmoeting van de contrasteerende heeren DOLF en PIETER wel eens willen zien. Ik verbeeld my dat de exstudent van zijn zuster AMELIE in last had, niet om op eene dadelijke wijze haar en zijn eigen persoon aan ons te komen opdringen, maar "als hy PIETER zoo reis tegenkwam," zoo eens zijdelings te hooren of het niet wel goed zou zijn dat zy meêgingen; iets 't welk zy zonder twijfel reeds aan CHRISTIENTJEN beloofd had in allen gevalle te zullen doen. Men begrijpt lichtelijk dat DOLF evenzeer overtuigd was PIETER in allen gevalle tegen te komen, indien namelijk PIETER zich maar een oogenblik op straat waagde, daar hy gewoon was ettelijke uren van den dag aan eene stadswandeling te wijden, by welke gelegenheid hy in 't geniep aan vele knappe dienstmeisjens oogjens gaf, en