Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/85

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

77

byzonder acht sloeg op alle mooie honden. Nu was het gebeurd dat hy PIETER net ontmoet had, toen deze, in den meergemelden winkel van VAN DROMMELEN, een paar prachtige puimsteenkleurige glacé handschoenen had gekocht, met welk paar gezegde VAN DROMMELEN reeds lang verlegen was geweest, daar niemand het koopen wilde, en 't welk hy PIETER, als naar den laatsten smaak, opdrong. Ik stel my voor dat zijn gesprek met een: Je gaat zoo uit varen!" begonnen is, en dat daarop heel gaauw gevolgd is: Jongens, je zoudt my en mijn zuster ook wel mee kunnen vragen. Waarop PIETER, zonder aan eenige mogelijke verontschuldiging te denken, ongetwijfeld dadelijk had gezegd: dat 's goed."

"Hoe laat gà jelui?"

"Half vier."

"Dat 's wel wat vroeg, maar 'k zal er wezen. AMELIE brengt haar guitaar meê. Tot van middag!"




Er gebeurde dien middag iets in ' t huishouden van mijn oom dat nog nimmer gebeurd was; het etensuur werd verzet; ook al ten gevalle van neef HILDEBRAND, die ondanks zijn kamerjapon nog al een witten voet by oom kreeg; en toen wy verzadigd waren, ging PIETER, onder vele vermaningen van toch vooral voorzichtig te zijn, KOOSJEN, en ik CHRISTIENTJEN afhalen.

Van alle jonge meisjens nu, die by oude knorrige tantes zouden kunnen of willen wonen, was CHRISTIENTJEN, of laat ik liever zeggen CHRISTIEN, want zoo werd ze altijd genoemd door die haar kenden, wel de ongeschiktste. Zy was in haar hart een Jan-Pret, en scheen niet tegen een kleintjen op te zien. Zy greep mijn arm met zoo een fikschen greep aan, en lachte zoo glunder over 't mooie weer, en 't prettige plan, en het frissche van 't water, dat ik my heel veel van haar voorstelde, en alleen maar vreesde dat zy zich te veel voorstelde van de pret.

Wy hadden het schuitjen in den cingel laten brengen, en derwaarts had KEESJEN den rhijnschen wijn getorscht. Ik kwam met CHRISTIEN juist op het rendez-vous, als PIETER er ook verscheen; KOOSJEN ging nevens hem; hy had haar geen arm durven aanbieden, en zy had werk zijn groote stappen by te houden. De knorrigheid van PIETER scheen wel wat gezakt te zijn, maar ik zag ze met vernieuwde neteligheid opleven, toen hy den jeugdigen VAN BRAMMEN met zijne zuster en eene meid, die in de eene hand een grooten huissleutel en in de andere een gemarmerd bordpapieren guitaardoos droeg, uit de poort en over de brug zag gaan. DOLF had voor deze gelegenheid een geelen stroohoed opgezocht, die hem vrij gemeen stond, droeg een bruingeruiten pantalon en een groenen dichtgeknoop-