Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/86

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

78

ten rok met blinkende knoopen; aan zijne laarzen blonken een paar moeren voor sporen, die hy evenwel, als by deze gelegenheid minder te pas komende, had thuis gelaten, en hy had een geelen degenstok in de hand, dien hy om dezelfde reden thuis had kunnen laten. AMELIE, wier peettante eigenlijk MEELTJEN geheeten had, was zeer particulier gekleed. Zy had een spencer aan van paarsche zijde, waar een groene rok onder uitkwam, en een hoedtjen van dezelfde kleur en stoffe als haar spencer, waarop zy een witten voile droeg met een breeden rand van dezelfde kleur als de rok. Hare kleine voeten staken in nankinsche slopkousen, die haar fijnen enkel zeer wel deden uitkomen. Deze kleine voet en fijne enkel maakten, benevens haar handtjens, de voornaamste schoonheden van de magere AMELIE uit, die een lang en bleek gezicht had, met groote groenachtige zwemmerige oogen, die zy evenwel, of omdat zy byziende was, of omdat zy 't schijnen wilde, zoo dicht toekneep, dat men wedden zou dat zy niets zag. Zoo als zy nu naast haar buikigen broeder voortschreed, maakte zy in my de gedachte aan den eersten droom van koning FARAÕ zeer levendig. De ontmoeting van de drie dames was uiterst hartelijk en lieftallig; die van VAN BRAMMEN zeer vrolijk.

"Bonjour, heeren!" heette het — "Ik heb ongemakkelijk veel gegeten, hoor. Jongens! dat 's een knap schuitjen, waar haal je dat van daan, PIET? HILDEBRAND, ik heb je nog gezien toen je groen was; "je had een kaneelkleur jasjen aan, allemachtig leelijk. Kijk hier, een haakjen ook!" En het haakjen opnemende velde hy het als een lans, en maakte de handgrepen van PIETER te willen doorsteken.

"Heiwat! " zei PIETER, die al weer zoo kwaad was als een spin.

"Hoor reis!" zei DOLF, in het schuitjen springende: " ik ben de dik" ste, en ik heb van middag zoo veel gegeten; ik zal naderhand ook " wel reis roeien, dat spreekt; maar jylui moet beginnen, vindje 't goed, HILDEBRAND?"

"Best;" zei ik.

Ik nam de taak van ceremoniemeester op my; en plaatste my op de achterste roeibank. PIETER zou vóór my gaan zitten, en dan ор de zijbankjens, by zijn rechter knie, het mooie lieve KOOSJEN, zijn eerste liefde, en by zijn linker de "magere en de zeer leelijke van gedaante, rank van vleesche, en wier gelijk in leelijkheid niet gezien was in den gantschen Egyptelande," met de guitaar onder de bank. Daarnaast, of naast KOOSJEN, naar verkiezing, de vrolijke CHRISTIEN, die met alles te vreden was; DOLF aan 't roer.

"Maak em nou maar los, vriend!" riep DOLF tegen KEESJEN; "braaf, man! dat mag je reis weer doen," en het haakjen opnemende stiet hy van wal, en stuurde met veel handigheid naar het midden.

PIETER en ik vielen aan 't roeien; maar het bleek duidelijk dat de eerstgenoemde het of nooit meer of in lang niet gedaan had.