79
"Je hoeft den cingel niet uit te diepen," riep DOLF hem al heel gaauw toe, daar hy de riemen met een hoek van byna negentig graden in 't water plantte. "Je moet over 't water scheeren als een meeuw, man."
"Ik weet het heel wel," zei PIETER, en hief den rechtschen riem hoog op, om te toonen dat hy 't heel wel wist, maar vergat den linker, dien hy zoo mogelijk nog rechtstandiger indoopte; met dat gevolg, dat de rechterriem byna geen water raakte, maar wel met hevigheid tegen mijn dito aansloeg, en hy zoo groot een kracht deed met den linker, dat de schuit ronddraaide.
"Ho wat, PIETJEN!" riep de gehate stuurman nu weder, terwijl KOOSJEN lachte, CHRISTIEN proestte, AMELIE een klein gilletjen gaf. "Ho wat, PIETJEN! je moet er den gek niet mee steken, man; we zouen zoo wel naar den grond kunnen tollen."
PIETER wenschte van harte dat DOLF onmiddelijk in 't water gevallen, en naar den grond getold ware. Het roeien is zulk een heksenwerk niet; het kwaad was spoedig hersteld, en, met hem een weinig te gemoet te komen, maakte ik dat PIETER binnen kort al vrij wel slag met my hield. Wy roeiden den cingel uit en de kleine rivier op, die de trots en de glorie van D. uitmaakt, en waren spoedig in het ruime. Daar viel het roeien nog veel makkelijker. De dames vonden het dolprettig op het water; KOOSJEN was allerliefst; CHRISTIEN alleruitgelatenst; AMELIE allersentimenteelst. PIETER zelf kwam by; maar wat hem zeer hinderen moest, was dat de beide eersten als aan den mond van DOLF hingen, die allerlei grappen vertelde, en voor dezen, die toch een mauvais sujet was, veel meer aandacht overhadden, dan voor hemzelven, die eerdaags een candidaatsexamen dacht te doen, summa cum laude; eene klacht by menig eerzaam jong mensch in dergelijke omstandigheden opgekomen. De dames zullen beter weten dan ik, hoe het komt dat zy er reden toe geven. Maar zelfs het zedige KOOSJEN luisterde met alle blijken van welgevallen en genoegen, wanneer DOLF nu eens een liedtjen zong, dan eens den voorzanger uit de groote kerk nadeed, dan weder zijn stroohoed op een koddige wijs in de hoogte gooide, dan weer een anecdote vertelde, en nog al dikwijls met veel vrijmoedigheid en oprechtheid haar een complimentjen maakte; en ik zelf vond hem werkelijk van tijd tot tijd nog al heel aardig.
Daar nu evenwel de (ik mag wegens hare magerheid haast niet zeggen vleeschelijke, maar dan toch eigen ) zuster van DOLF vele van 's mans grappen kende, en ook wegens de nadere bloedsbetrekking minder van ZEd. gecharmeerd was dan de beide andere dames, zoo gebeurde het dat zy PIETER in een zeer druk en zeer poëetisch gesprek wikkelde over de lieve omstreken van Utrecht, en het lieve Zeist, en het lieve Zusterhuis. Zy verklaarde veel sympathie met al die soort van inrichtingen te hebben, en zelfs niet afkeerig te zijn van het denkbeeld van