80
in een nonnenklooster te gaan, of op zijn minst een Zuster van Barmhartigheid te worden, een soort van dreigement van meisjens van de jaren en de bloedsmenging van de magere AMELIE; en overstroomde den goeden PIETER, die zich inmiddels van jaloezy verbeet, met een regen van edele, tedere, heilige, en smelterige gevoelens; by welke gelegenheid zy hare oogen op eene byzondere wijze wist op te slaan, net precies als of zy een goede kennis had in de maan, die alreeds als een wit vlekjen aan den hemel stond; dan zuchtte zy ook weer eens als personen die een verborgen verdriet hebben; en dan zag zy, by een of ander zeer boekachtig gezegde, over PIETERS schouders naar my, die van het nadeel van op een achterste roeibank te zitten dit voordeel had, van zoo dikwijls ik wilde het gesprek niet te hooren.
"Maar wil ik je nu niet reis aflossen, men lieve galeislaven?" vroeg DOLF ons met hartelijkheid, nadat we een goed half uur geroeid hadden. "Ik zit hier maar cigaartjens te rooken aan 't roer."
"Hoor," riep ik hem toe, "ik zal je zeggen wat het plan is. PIETER heeft me gesproken van een boerdery, waar we aan kunnen leggen om iets te gebruiken. Daar moeten we welhaast wezen."
Ja wel, by TEEUWIS," viel DOLF in, met al de snelheid van iemand die alle dergelijke inrichtingen vanbuiten kent.
"En zoo lang moeten wy nog maar aan de riemen blijven. Dan zullen we wat uitrusten, en dan roeien we langzaam naar de kom terug, die we daar zoo pas zijn voorbygegaan. Daar zullen we dan wat in gaan drijven."
"O ja," riep AMELIE, "dat is lief; ik ken niets aangenamers dan drijven."
"Ja!" zei ik, "en dan zullen we alle weelden vereenigen; wy zullen zien wat er in ons mandtjen overbleef, en wat er in uw guitaardoos is."
"Dat is heerlijk!" riepen de dames. "Ja, AMELIE, je moet zingen en spelen."
"Ja maar, weetje wat," zei DOLF, "ik zal ook zingen, hoorje! Ik ken heerlijke liedtjens; AMELIE, je moet het niet te veel op de maan gooien, hoor."
AMELIE zuchtte over haar broeders ongevoelig hart.
Nog een slag of vijftig, en wy waren aan de boerdery.
Wy stapten aan wal, tot niet weinig genoegen van PIETER, die van de riemen en van AMELIE verlost was. Het eerste deed hem evenwel byna nog meer genoegen dan het laatste. Hy had het onverstand gehad, met zijn puimsteenkleurige glacé handschoenen te willen roeien, die nu als vellen om zijn vingers hingen; en daar hy de riemen veel te stijf had vastgehouden, had hy vrij aanzienlijke blaren in de handen. DOLF hielp de dames uit de boot, by welke gelegenheid hy heel iets vleiends van CHRISTIENS voeten zei, en een aardig drukjen in KOOSJENS handtjen gaf, dat zybeiden wel heel ondeugend, maar toch niet