Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/89

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

81

heel onaangenaam vonden. Hy liet de zorg voor zijne zuster aan den ongelukkigen PIETER over.

De schuit werd vastgelegd, en een heldere boerin kwam buiten loopen om ons welkom te heeten, en te zeggen dat we binnen moesten komen. Maar wy verkozen een tafeltjen op de werf te hebben, om immers zoo veel mogelijk van de frissche octoberlucht te genieten. Dit geschiedde; en hoewel er 's winters, als er schaatsen gereden werd, alles te krijgen was, zoo was er nu niets te bekomen dan melk, die dan ook in groote glazen overvloedig vloeide. Want de wijn werd, op de schikking der dames, epicuristiesch geheel voor de drijvende zaligheid bewaard. DOLF vroeg onder veel grappen om een beetjen jenever met suiker; en PIETER maakte zijn zakdoek in een kopjen melk nat, en hield het verzachtend vocht tegen de blaren in zijn hand.

Er was een schommel aan den anderen kant van 't huis, en DOLF noodigde de dames tot zijne genoegens. CHRISTIEN had er een dollen zin in, en KOOSJEN ging ook mede, en PIETER volgde natuurlijk: AMELIE hield er volstrekt niet van, en kreeg er zoo'n ijsselijken steek van in de zij. Ik bleef dus om haar gezelschap te houden met haar aan ons tafeltjen zitten, dat my wonder wel beviel, daar ik moê van 't roeien was, en nog veel roeiens vooruitzag.

Voor een sentimenteel meisjen was er op die werf niet veel te zien. Wy zaten aan een vrij verweloos tafeltjen, waarvan maar drie pooten den grond raakten, op eenen door kippen en hanen omgewoelden grond, met een aarden dijkjen aan drie kanten omgeven; en hadden het uitzicht op een vrij groote kroosgroene eendenkom, een loots, en een zeker ander klein gebouwtjen. Het duurde een heele poos, eer een kleine leelijke bastaart van een mops en een fikshond geheel ophielden uitvallen van vijandigheid te toonen; maar wat het tooneel eenige schilderachtigheid byzett'e waren drie kinderen, waarvan de oudste, een meisjen van een jaar of zes, het kleinste, een wicht van even zoo veel maanden, op schoot had; terwijl de derde, een jongen van omstreeks vijf jaren met spierwit hair, op zijn rug op den grond lag. Deze groep bevond zich aan den rand van de eendenkom, en keek dan eens schichtig naar ons, en dan weder vertrouwelijk naar de eenden. Het waren deze lieve kinderen, die AMELIE in staat stelden al de liefderijkheid van haar zacht gestemd gemoed te toonen; zy trok dus den kleinen linkerhandschoen van de kleine linkerhand, en besloot ze op de innemendste en verrukkelijkste wijze toe te spreken.

"Wel liefjens! kijk jelui zoo naar de eendtjens?"

De kinderen keken haar strak aan, maar gaven geen andwoord.

"Hoeveel van die lieve diertjens zijn er wel?"

Geen andwoord; maar eenige verwondering in 't oog van 't zesjarig meisjen; want op 't boerenland noemt men een eend geen diertjen.

"Hou je veel van de eendtjens?"