Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/91

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

83

blaauw gebloemte, waarvan de vraag was. AMELIE plukte ze allen op een na af, en deelde ze aan al de leden van het gezelschap uit, zoodat wy in een oogenblik ieder met zulk een levend albumblaadtjen in ceintuur of knoopsgat pronkten.

Toen wy nu zoo mooi waren, wilden wy weer heen; maar de schuit scheen nog veel grooter liefhebster van de vergeetmynietjes dan AMELIE zelve; want haar gehechtheid strekte zich letterlijk uit tot de struik waarvan zy waren geplukt, tot den grond waarop zy gebloeid hadden. Met andere woorden: wy zaten op land.

Te vergeefs zoo wy poogden los te raken; de schuit zat vast en bleef vast zitten; er scheen geen verwrikken aan; het speet AMELIE verschrikkelijk dat zy de oorzaak van dit oponthoud was; CHRISTIEN vond het daarentegen ijsselijk aardig; wy manspersonen werkten ons half dood, en zaten dan weer een oogenblikjen neder om krachten te herkrijgen. In een van die pauzen begon DOLF ons by den Zwitserschen Robinson te vergelijken.

"Hoor eens, " zei hy, "KOOSJEN! als we hier voor eeuwig blijven moeten, dan trouw ik met jou, hoor!" en hy maakte een beweging om haar hand te kussen.

Op dit gewichtig oogenblik was het dat de merkwaardige PETRUS STASTOKIUS Junior een Simsonsverzuchting slaakte, den haak in edele verontwaardiging opnam, tegen den wal zett'e, en er met zoo veel geweld en zoo groote inspanning van krachten op nederviel, dat de schuit plotseling los raakte en achteruit stoof, terwijl de edele bewerker van dit voorval zelf voorover in het water stortte. Daar lag hy; alleen zijne laarzen waren nog aan boord; de panden van zijn jasjen zweefden boven de golven; en de merkwaardige PETRUS STASTOKIUS Junior, zich op zijne handen op den bodem des waters ophoudende, hield het beslikte, maar nog altijd gebrilde gelaat niet dan met moeite boven. Zijn hoed dobberde op de ongewisse baren. Het was verschrikkelijk.

Een ieder die ooit in de zaligheden van een roeischuitjen met de schoone sekse heeft gedeeld, gevoelt welk een uitwerksel de plotselinge indompeling van PETRUS op onze dames maken moest. Hy hoort ze allen gillen, hy ziet ze allen opstaan; elkander, en ook zelfs ons, in de armen knijpen, en zeggen: " O G..!" Zijne verbeelding slaat al de pogingen gade, die zy gezamenlijk aanwenden om zoo mogelijk een nog grooter ongeluk te krijgen... Welnu, hy heeft een denkbeeld van onzen toestand.

"Zitten!" riepen DOLF en ik te gelijk; in 's hemels naam, blijft zitten!" en in een oogenblik staken wy de riemen aan bakboordzij in den grond, om het verder afdrijven van het schuitjen te beletten. "PIETER! jongen! je bent nou toch nat; we zullen je met het schuitjen volgen, zoodat je de beenen niet hoeft na te halen; kruip maar op je handen aan wal."

Hy deed als hem gezegd was, en in een oogenblik was hy op het terrein der gezegende vergeetmynietjens.