Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/92

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

84

PIETER was kopjenönder geweest en tot aan het midden doornat. Hy zag er hartverscheurend uit; zijn druipend hair, zijn bleek en verwilderd gezicht, zijn zwarte beslijkte handen! — Er was een algemeen medelijden; zelfs DOLF deelde er in. De drenkeling werd in de schuit opgenomen, en er werd besloten naar de boerdery terug te varen, om hem te droogen. Het zou dan wel te laat worden om in de kom te drijven, maar wy zouden nu in de boerdery onze ververschingen gebruiken, en daarna stevig door naar huis roeien. Eerst nog werd de hoed van PIETER achterhaald, en weldra zag de glundere boerin ons terug.

"Ze had wel docht," zei ze, dat dat heerschop een ongeluk krijgen zou; want hy had er allan dat ie by de schoppel staan hadde zoo kniezerig en zoo triesterig uitezien, dat ze al in haar eigen zeid hadde, nou, dat komt nooit goed of met dat heerschop! maar ze zou maar flussies wat raizen opgooien, en dan zoudie wel gaauw weer hillekendal opeknapt zain; as meheer een hemd van haar man an wou hebben, meheer had maar te spreken;" enz. enz.

Wy lieten PIETER aan hare zorg over, en begaven ons naar de werf. Het was ondertusschen halfzes geworden, en schoon 't nog zeer licht was, was evenwel de zon al ondergegaan, en konden wy ons alleen in den kouden naglans verheugen. Het bleek nu welk een dolle coup het eigenlijk was, in de maand october nadenmiddag een watertochtjen te beginnen; er stak een zéér koel windtjen op, en wy vonden 't beter binnen te gaan. Wy werden alzoo in het beste vertrek van 't huis gelaten; waar het pronkbed was, een friesche klok en een dambord hingen, en vier schilderyen aan den wand ons de geschiedenis van Willem Tell herinnerden, om niet te spreken van een dier tabelletjens, welke men verkorte edities van Trommius zou kunnen noemen, en waarop men lezen kan hoeveel capittels, hoeveel verzen, hoeveel ende's in den bijbel staan, en dergelijke wetenswaardige dingen meer. Zulk een hing er in een goud lijstjen. Hier zett'en wy ons op de matten stoelen neder, en begonnen, nadat AMELIE, die het op haar zenuwen zeide te hebben, een weinig bedaard was, rhijnschen wijn te drinken en sinaasappelen te eten als of het een laauwe avondstond in juny geweest ware.

Daarop kwam de guitaar binnen, die in onze omstandigheden waarlijk een geheele vervulling was; want indien het waar is dat muziek en zingen menige recht prettige byeenkomst storen en bederven, zoo moet men ook zeggen dat er niets beter is om eene niet prettige byeenkomst of mislukte party aan den gang te houden dan juist diezelfde muziek en zang.

AMELIE zong verscheidene duitsche romances, en zong ze waarlijk vrij goed; maar ze bracht er, tot haar aanmerkelijk nadeel, al die kleine coquette naïveteiten by te pas, die een mooi meisjen goed staan, maar die een leelijk meisjen als AMELIE nog leelijker en metterdaad belachelijk maken. Zeker had onder dit boerendak nog nimmer zoo teergevoelig een liedtjen geklonken als de bleeke AMELIE, met de vergeet-