86
Ik heb er een van me zus.
'k Wil niet dansen, 'k zal niet dansen,
Dansen is mijn order niet;
Nonnen, paters, paters, nonnen,
Nonnen, paters dansen niet.
Dan zal ik je geven een huis.
Neen, zei dat aardig nonneken,
Daar ben ik niet van thuis.
'k Wil niet dansen, 'k zal niet dansen,
Dansen is mijn order niet;
Nonnen, paters, paters, nonnen,
Nonnen, paters dansen niet.
Dan zal ik je geven een zoen.
Neen, zei dat aardig nonneken,
Daar wil ik het niet voor doen.
'k Wil niet dansen, 'k zal niet dansen,
Dansen is mijn order niet;
Nonnen, paters, paters, nonnen,
Nonnen, paters dansen niet.
Dan zal ik je geven een man.
Toen zei dat aardig nonneken:
'k Zal dansen al wat ik kan.
'k Wil wel dansen, 'k zal wel dansen,
Dansen is mijn order wel;
Nonnen, paters, paters, nonnen,
Nonnen, paters dansen wel.
En naauwelijks was het liedtjen uit, of RUDOLF VAN BRAMMEN gaf een fikschen klap op zijn stroohoed, zoo dat hy in plaats van boven op zijn hoofd te staan, op zijn linker wang kwam te hangen, en zijn melancholieke zuster om haar paarschen spencer grijpende, tilde hy haar van haar stoel op, en waltste ondanks haar zelve een toertjen met haar door de kamer, onder het herhalen van het refrein:
Nonnen, paters dansen wel.
De levenslustige CHRISTIEN stiet KOOSJEN aan, en de beide meisjens lachten achter haar zakdoek.
AMELIE zeeg " doodaf," en waarschijnlijk met een halfhonderd steken in haar zij, op een stoel neder; maar op dit oogenblik ging de deur open, en de vrolijke DOLF VAN BRAMMEN schoot met dezelfde uitgelatenheid op den persoon van PIETER af, die met een wijd duffelsch buis aan, een roode bouffante van TEEUWIS, en een pakjen nat goed, in zijn zakdoek samengebonden onder den arm, binnentrad ; en denzel-