87
ven PIETER oogenblikkelijk by de linkerhand grijpende en zijn eigen rechter om PIETERS midden slaande, die vruchteloos zich poogde los te worstelen, galoppeerde hy met hem door de kamer, onder het juichen van diezelfde regels, die hem zoo byzonder schenen te bevallen.
"Laat me los, VAN BRAMMEN!" riep PIETER, voor de eerste maal sedert ik hem kende zijne mannelijkheid toonende, en met een fikschen zwaai wierp hy, vonkelende van woede, den op zulk een krachtbetooning niet verdachten DOLF van zich af, en byna tegen den muur. Deze evenwel, zonder zijne bedaardheid te verliezen, greep zijn degenstok op, stak den van zichzelven verbaasden STASTOK de knop toe:
"Wil je vechten, kareltjen? Ook goed. Trek reis aan dien stok. Zie zoo: jy den degen en ik de schee: kom aan, en garde! droit au fond, als je blieft! " en zich in de positie stellende van iemand die schermen gaat, begon hy eenige parades te maken. De dames waren zeer onthutst, maar CHRISTIEN kon haar lachen toch niet laten, en AMELIE was half in haar schik dat zy een zoo romanesk geval bywoonde.
Ondertusschen leverde PIETER, met zijn fijnen stalen bril, zijn bouffante, zijn duffelsch wambuis, en met het opgedrongen rapier vrij onhandig in de hand, een zeer zonderling schouwspelop, de teekenpen van een CRUIKSHANK overwaardig. Maar de pose duurde niet lang; hy wierp het staal verachtelijk weg.
"Ik wil geen ruzie maken," zei de edelmoedige PIETER.
"Daar hebje wel gelijk in," andwoordde DOLF.
Op dat belangrijk oogenblik hoorde men een geluid als of er een flesch werd opengetrokken, en daarna een ander als of er een glas werd ingeschonken. Nog ééne seconde, en HILDEBRAND bood den beiden kampioenen twee ongelijke bekers aan, en de eervolle vrede werd gedronken.
Het was ondertusschen hoog tijd om te vertrekken. Aan vóór boomsluiten thuis te zijn was geen denken; maar het was in geen geval noodig, daar wy verlof hadden het schuitjen buiten den boom te laten, en er een knecht komen zou om de riemen af te halen. Maar toch moesten wy ons wegens den vallenden avond haasten. CHRISTIEN wilde dolgraag ook zelf eens roeien; en AMELIE gaf vóór gaarne eens aan 't roer te willen zitten. DOLF ging op de achterste bank. Op de voorste kwam de vrolijke CHRISTIEN my helpen, en nam een der riemen zeer handig op; zy kon tot dit werk haar mantel niet gebruiken, en stond er (ik geloof meer uit ondeugendheid dan uit medelijden) op, dat de gemelde drenkeling dien nog óver zijn duffel zou aandoen. Het was een schotschbonte. PIETER liet zich bewegen, en in dat costuum zette hy zich aan KOOSJENS zijde in het schuitjen.
AMELIE keek naar de lieve maan en de lieve starren. DOLF roei-