88
de en rookte om 't zeerst. CHRISTIEN had allerlei vrolijke invallen en plageryen met my. PIETER was dus met het voorwerp zijner genegenheid zoo goed als alleen. KOOSJEN scheen zeer lief voor hem. Verscheidene malen hielp zy hem zich te beter in de plooien van den mantel wikkelen, en meer dan eens zag ik dat zy hem met een innig medelijden aankeek. Hy schoof dan ook inderdaad gedurig dichter en vertrouwelijker naar haar toe. Zijn gelaat luisterde op, en hy scheen werkelijk een teder en aandoenlijk gesprek met haar te hebben aangevangen, als ik opmaakte uit de zinrijke woorden, die ik tusschenbeiden op kon vangen, als daar zijn: "weet je nog wel van "... " blijde dagen" — "nooit zoo gelukkig meer worden" — "veel aan denken," en wat dies meer zij.
Dit duurde zoo voort tot dat het ongeluk wilde, dat de heer RUDOLF VAN BRAMMEN zijn laatsten cigaar had opgerookt, en dus een ander tijdverdrijf behoefde.
"Kijk reis aan!" riep hy, het overschot in 't water gooiende," kijk reis aan! PIETER zit waarlijk te vrijen."
PIETER bloosde, en wierp een grimmigen blik ter zijde uit op den spreker, volmaakt als een schichtig paard dat op den straatweg een hondenwagen tegenkomt. — KOOSJEN bloosde, keerde zich om, en vroeg onmiddelijk aan CHRISTIEN: "of ze niet moê werd van 't roeien?"
Het was gedaan met PETRI STASTOKII Junioris zaligheid; en daar ik naderhand nooit van eenige verstandhouding tusschen hem en KOOSJEN VAN NASLAAN heb gehoord, maar veeleer vernomen heb dat KOOSJEN VAN NASLAAN, in den laatstverleden herfst op haar vaders zilveren bruiloft plechtig is verloofd geworden aan een jongen wijnkooper uit een naburige stad; zoo houd ik het er voor, dat hier de droevige geschiedenis der eerste en tedere liefde van PETRUS STASTOK Junior, student in de rechten aan de hoogeschool te Utrecht, en te gelijk die van 's mans eerste minnekozery, een einde neemt.
Wy waren spoedig thuis, en toen ik den anderen dag te elf ure op de geele diligence zat, die van E. over D. naar C. rijdt, had ik voor lang afscheid genomen van mijn oom en tante STASTOK, en van al de kennissen die ik te D. gemaakt had; het laatst evenwel van KEESJEN, die mijn koffertjen gekrooien, en van PIETER, die my naar de "Rustende Moor" vergezeld had; terwijl ik, buiten de poort komende, nog gelegenheid had om uit het portier een groet toe te werpen aan den heer RUDOLF VAN BRAMMEN, die reeds dáár was om naar de oefening van een paar pelotons rekruten te zien, die met bevende handen eene gezwinde lading ondernamen, waartoe zy ruim zoo veel tijds besteedden, als hunne nijdige sergeanten tot die in vier tempo's noodig hadden, en waarover de bejaarde tweede luitenant een waakzaam oog hield.