Artikel 9
1. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag nemen de verplichting op zich aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, ter bestudering door de Commissie, een verslag over te leggen betreffende de wetgevende, gerechtelijke, bestuurlijke of andere maatregelen die zij hebben genomen ter uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag, en wel (a) binnen een jaar nadat het Verdrag voor de desbetreffende Staat in werking is getreden; en (b) vervolgens eenmaal in de twee jaar en telkens wanneer de Commissie dit verzoekt. De Commissie kan de Staten die partij zijn bij dit Verdrag nadere inlichtingen vragen.
2. De Commissie brengt jaarlijks, door tussenkomst van de Secretaris-Generaal, aan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties verslag uit over haar werkzaamheden en kan voorstellen en algemene aanbevelingen doen, gebaseerd op de bestudering der van de Staten die partij zijn bij dit Verdrag ontvangen verslagen en inlichtingen. Deze voorstellen en algemene aanbevelingen worden, te zamen met eventueel commentaar daarop van de Staten die partij zijn bij dit Verdrag, aan de Algemene Vergadering voorgelegd.
Artikel 10
1. De Commissie stelt haar eigen huishoudelijk reglement vast.
2. De Commissie kiest haar functionarissen voor een tijdvak van twee jaar.
3. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties verschaft het secretariaat van de Commissie.
4. De vergaderingen van de Commissie worden gewoonlijk op het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties gehouden.
Artikel 11
1. Indien een der Staten die partij zijn bij dit Verdrag van oordeel is dat een andere Staat die partij is bij dit Verdrag de bepalingen van dit Verdrag niet uitvoert, kan hij de aandacht van de Commissie daarop vestigen. De Commissie brengt deze mededeling vervolgens ter kennis van de betrokken Staat die partij is bij dit Verdrag. De ontvangende Staat legt de Commissie binnen drie maanden een schriftelijke uiteenzetting of verklaring voor, ter toelichting van de zaak, en deelt haar mede welke maatregelen eventueel door die Staat bij wijze van correctie zijn genomen.
2. Indien de aangelegenheid niet binnen zes maanden na ontvangst door de ontvangende Staat van de eerste kennisgeving ten genoegen van beide Partijen is geregeld, hetzij door bilaterale onderhandelingen, hetzij langs andere hun openstaande wegen, heeft elk der beide Staten het recht de zaak wederom aan de Commissie voor te leggen, door