Naar inhoud springen

Pagina:Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie.pdf/13

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

2. Elke Staat die partij is bij dit Verdrag en een verklaring heeft afgelegd als bedoeld in het eerste lid van dit artikel kan binnen zijn nationale rechtsstelsel een orgaan instellen of aanwijzen dat bevoegd is verzoekschriften te ontvangen en te bestuderen afkomstig van onder zijn rechtsmacht staande personen of groepen personen die beweren het slachtoffer te zijn van een schending van een of meer der in dit Verdrag genoemde rechten en die de overige beschikbare lokale rechtsmiddelen hebben uitgeput.

3. Een verklaring die is afgelegd overeenkomstig het eerste lid van dit artikel en de naam van een orgaan dat is ingesteld of aangewezen overeenkomstig het tweede lid van dit artikel worden door de desbetreffende Staat die partij is bij dit Verdrag nedergelegd bij de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties, die daarvan afschriften zendt aan de overige Staten die partij zijn bij dit Verdrag. Een verklaring kan te allen tijde worden ingetrokken door middel van een daartoe strekkende kennisgeving aan de Secretaris-Generaal, doch een zodanige intrekking is niet van invloed op mededelingen die reeds bij de Commissie aanhangig zijn.

4. Door het overeenkomstig het tweede lid van dit artikel ingestelde of aangewezen orgaan wordt een register van verzoekschriften aangehouden, waarvan voor eensluidend gewaarmerkte afschriften jaarlijks langs de daarvoor gebruikelijke weg bij de SecretarisGeneraal worden nedergelegd, onder voorwaarde dat de inhoud niet openbaar wordt gemaakt.

5. Ingeval van het overeenkomstig het tweede lid van dit artikel ingestelde of aangewezen orgaan geen genoegdoening wordt verkregen, heeft de indiener van het verzoekschrift het recht de zaak binnen zes maanden ter kennis van de Commissie te brengen.

6. (a) De Commissie brengt elke te har er kennis gebrachte mededeling vertrouwelijk onder de aandacht van de Staat die partij is bij dit Verdrag en waarvan wordt beweerd dat hij een bepaling van dit Verdrag overtreedt, doch de identiteit van de betrokken persoon of groep personen wordt zonder de uitdrukkelijke toestemming van deze persoon of personen niet onthuld. De Commissie neemt geen anonieme mededelingen in ontvangst.

(b) De ontvangende Staat legt binnen drie maanden aan de Commissie een schriftelijke uiteenzetting of verklaring voor, ter toelichting van de zaak, en deelt haar mede welke maatregelen eventueel door die Staat bij wijze van correctie zijn genomen.

7. (a) De Commissie onderzoekt de mededelingen in het licht van alle haar door de betrokken Staat die partij is bij dit Verdrag en de indiener van het verzoekschrift ter beschikking gestelde gegevens. De Commissie onderzoekt geen mededeling van een indiener van een verzoekschrift dan nadat zij er zich van heeft vergewist dat deze alle beschikbare nationale rechtsmiddelen heeft uitgeput. Deze