Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/102

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

94

op zijn voedsel is hij nu juist niet, is hem gewoonlijk tot buit geworden. Weldra is het gevangene of het gevondene verorberd, en de meeuw rijst weer uit den vloed, om, na kop en staartpennen eens krachtig heen en weer bewogen te hebben, opnieuw voort te vliegen en, zoo de kans gunstig is, de aangeduide bewegingen te herhalen. Meermalen klappert ze daarbij hoorbaar met den krachtigen snavel, wat ons doet denken aan het geluid van „den Ouwen Donders”: „beter verzuipen dan gewonnen geven”. Maar ook, als de storm zich verheft, durft deze meeuw het wilde element trotseeren. Dan eerst verraadt haar vlucht sterkte. Met kracht worden alsdan de gespierde vleugels op en neer bewogen, zoodat het geen dwaas vertoon is, wanneer schilders ook meeuwen schetsen, als ze een schipbreuk malen. En ook bij zulk weer plaatst de meeuw zich op de zee, om hoog en laag bewogen te worden, zich wel bewust zijnde, dat haar geen leed geschieden zal.

Vooral in vlucht zijn de meeuwen sierlijke vogels, en klein gevoelt zich de mensch bij het aanschouwen dier vliegbewegingen. Hoe heerlijk moet het zijn, zoo te zweven in een middenstof hoog boven aarde en zee. Doch hoopvol is het oog gericht op Blériot en anderen, die ons zeker spoedig in het bezit stellen van de zoo lang begeerde vlieginstrumenten. Dan ook zullen wij ons, na gedaan dagwerk, vermeien in het beschrijven van sierlijke vliegkringen hoog boven torens en boomkruinen. We zullen ze afzien van de Mantel- en de Zilvermeeuwen onzer stranden.

De Mantelmeeuw (Larus marinus L.) is de grootste. Ze bereikt eene lengte van bijna 6 d.M. en onderscheidt