Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/104

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

96

 

XXIX.


Bij de klimvogels.


„Koekoek, koekoek!" Hoeveel jaar heb ik nog te leven? Zooveel malen één jaar, als de koekoek zijn roep achtereen laat hooren. Valt het getal niet mee, vraag het dan later nog eens, en gedurig weer, dan zal stellig het goede getal er bij komen. Wie dan scherpzinnig genoeg is, het juiste er uit te zoeken, die weet het. Maar vraag het vooral, wanneer de vogel in 't voorjaar uit het Zuiden naar hier teruggekeerd is, want dan is zijn roep hartstochtelijk en gedurig. Dan hoort ge ook meermalen het vluggere „koe-koe-koek", en het lachende geluid, die de sexen te zamen roepen. Mevrouw Koekoek is een groote dame, die de voeding en opvoeding van het kroost aan andere vogels overlaat. Bij velerhande spitsbekkige zangvogels kiest ze hare sujetten, die zoowel met het uitbroeden der eieren als met de verzorging der kinderen belast worden. Doch nooit wordt meer dan één ei in het nest van zoo'n zangvogelpaar gelegd. De pleegouders zien dan eigen kroost verloren gaan, doch ze voeden het vreemde jong met onafgebroken liefde, ook nog, wanneer het reeds lang het nest verlaten heeft.

Wat is zoo'n Koekoek (Cuculus canorus L.) overigens een mooie vogel! Sperwerkleurig is hij, en het dwaze volksgeloof beweert, dat deze vogel elk voorjaar in een Sperwer met geduchte roofvogeleigenschappen verandert, en vervolging blijft dan ook niet altijd uit. 't Is al te gek, want dan zou de snavel in den zomer recht en des winters sterk gekromd moeten zijn. Bij de oude Grieken