Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/108

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

100

Deze twee zinnen mogen gedurig in alle scholen als voorbeelden voor kleinschrift en middelsoort dienst doen! 't Zijn gulden regels, die diep ingeprent moeten worden in alle jeugdige zielen. En de toelichtingen mogen niet ontbreken. Want velen gevoelen alleen nog maar iets voor de kleine pietjes, de lustige zangertjes uit bosch en rietland. Maar dat gevoel moet ontwaken en sterk worden ook voor de groote vogels uit weide en moeras, waarvan men steeds de eieren meent te mogen rapen, en ook voor roofvogels, waaronder er velen zijn, die ook den mensch tot nut strekken. En alle zijn het voorwerpen van verheffing.

Er zijn bij ons twee uilensoorten, die vederpluimpjes op den kop hebben, en daarom noemt men ze wel ooruilen en ook horenuilen, en de ronde starende oogen gelijken op die van de kat, en daarom worden ze ook katuilen genoemd. Het zijn de Velduil (Otus accipitrina [Pall.]) en de Ransuil (Otus otus [L.]).

We zullen de beide uilen bezien, en voor de eerste soort moeten we zijn in de duinpannen, op heidevelden en ook wel in veenachtige streken. We marcheeren tusschen dorens en struiken, en plotseling vliegt uit onze nabijheid op een vogel met tamelijk groote vlucht. Onhoorbaar en met lange wiekslagen strijkt hij weg, om weer spoedig te dalen. Nu de zon hel schijnt, kan de Velduil, want hij is het, weinig zien, ofschoon hij zich nog aanmerkelijk beter weet te redden, dan de andere uilensoorten. Zoo stil mogelijk gaan we verder, om de plek te naderen, waar we den vogel zagen neerdalen. Zie, daar zit hij, en zijn gele oogen staren ons aan! Ze zien wel, maar niet voldoende, om menschen, hunne vijanden, in ons te her-