Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/121

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

113

zich nader bij den Koning der zangvogels aansluitende, geen Nachtegaal.

 

 

XXXIV.


Lijsterstrikken.


Ze worden weer in gereedheid gebracht, de duizenden en tienduizenden paardenharen strikken, die, in takkenbogen gestoken, tegen September weder uitgehangen worden in de meeste kreupelboschjes van ons vaderland. Bij elk twee- of drietal strikken wordt een trosje glimmend roode lijsterbessen gestoken, en wee het lijstertje, dat zich door het begeerlijk aas verlokken laat. Niet gemakkelijk zal het aan den strop ontkomen. En gelukkig dan nog maar, wanneer de strik om den hals van den vogel valt, want dan is het proces spoedig geëindigd. Maar wanneer poot of vleugel gegrepen is, breekt er een smartelijk lijden voor het dier aan. Ernstige pogingen worden aangewend tot herkrijging van de lieve vrijheid, zoo zelfs, dat de strikker meermalen een lijster vindt, waarvan een der extremiteiten gedeeltelijk uitgerukt is. En zoo'n worsteling heeft uren kunnen duren, want de strikken worden dagelijks maar een of twee keeren nagezien.

Het strikken van lijsters is wel een moorddadig werk, en duizenden nuttige vogels worden er door aan de Natuur onttrokken. Niettemin is het in de laatste drie maanden van het jaar geoorloofd. Zeer groot kan het