Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/129

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

121

hadden uw ouders, die zoo teederlijk zorgden, u gezongen van het heerlijke, zonnige Zuiden, waar het zoo goed wonen is, wanneer het nest, waarin ge geboren zijt, onder sneeuw bedolven is. En met het groote leger trokt ge mede op, en nu hangt ge daar, roerloos en stijf. Pas geboren, toch verloren!

Zelden komt nog de op IJsland inheemsche vorm van de Koperwiek bij ons voor. Ter onderscheiding wordt deze IJslandsche Koperwiek (Turdus iliacus coburni Sharpe) genoemd. We zullen geen moeite doen, dezen te ontdekken. Maar zie, hier hangt een veel grootere vogel, dien men voor een merel zou houden, doch hij heeft grijze randjes aan de veeren en een witte vlek op de borst. Hij heeft dus, als het ware, een bef voor. Juist, en naar die witte vlek wordt deze merel, want 't is er werkelijk een, ook Beflijster, Kraagmerel, Dominé, Kranslijster, en ook nog wel anders genoemd. Turdus torquatus torquatus L. is zijn wetenschappelijke benaming.

Zie, daar wipt nog zoo'n vogel! Pas maar op, Dominé, dat je ook niet op die bogen wipt, want dan loop je ook groot gevaar! Hou je maar op den grond, want de strikken hangen alle minstens een meter boven den bodem. Dat moet, volgens de Wet, en dat is nog zoo'n beetje om de merels, die ook wel grondlijsters genoemd worden, te sparen. Mochten de strikken tot op den grond hangen, dan zouden zich nog veel meer van die zwarte dieren, die meer hun voedsel op den grond, dan in de boomen zoeken, verhangen.

Broeden doet de Beflijsters maar zeer zelden bij ons. Op den trek kan hij wel eens zeer veelvuldig voorkomen, doch in sommige jaren ziet men er maar weinige, zoo-