Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/164

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

156

daar zijn de lijsterbessen heelemaal opgevreten en nog weer op een andere plaats hebben die ellendige vinken al de pitten uit de bessen weggepikt, en dan verdrogen de overgebleven velletjes in een oogenblik.”

Zoo mopperde mijn leidsman, toen we plotseling halt hielden bij een mooien vogel, die dood in den strik hing. Zie je, dat heb je nu weer van die strikkenhangerij, dat je nog eens wat vreemds opdoet! Zoodra het strikkenhangen verboden wordt, zal men minder van het zeldzame in handen krijgen. Maar misschien zal men het meermalen in de vrije Natuur kunnen waarnemen, en dat is toch maar je ware!

De vogel daar voor ons had een kolossaal dikken tolsnavel, waarmede hij gemakkelijk de pitten uit steenvruchten kan breken. Zulke dikbekken noemt men dan ook wel kernbijters. We hadden hier te doen met een Appelvink, die wetenschappelijk aangeduid wordt met den (schrik niet, lezer!) naam van Coccothraustus coccothraustus coccothraustus (L.).

Of hij een mooi vederkleed heeft? Als 't u belieft! Vederkleed: bovendeelen roodachtig bruin; wangen voorhoofd en stuit roestkleurig; vleugels en staart gedeeltelijk wit, slagpennen zwart;—onderdeelen rose, naar achteren wit. Ja, ja, mooi is het pakje van den Appelvink en zeer eigenaardig is de eenigszins gekronkelde, schopvormige verbreeding der binnenste groote slagpennen.

Wie nu maar goed acht geeft, kan ook wel des zomers dezen mooien dikbek bij ons vinden, want in verschillende provinciën broeden elk jaar enkele paren. Doch in het najaar zijn het echte zwerfvogels en in 1906 waren er veel meer dan in andere jaren.