Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/168

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

160

plassen met kleine eilandjes er in. Ook aan slootkanten zijn ze gedurig te vinden.

Zie, daar gaat een Witgatje (Totanus ocrophus ocrophus (L.) de lucht in, en zijn tremoleerend geluid laat het duidelijk hooren. Telkens bij het opvliegen kan men dat vernemen. Nu de vogel van ons af vliegt, zien we, dat het achterdeel geheel wit lijkt, waaraan hij dan ook zijn Hollandsche benaming te danken heeft. In Friesland noemt men hem wel Poolsche Snip. Konden we het Witgatje van heel nabij bezien, dan zou het blijken, dat de wortelhelft van den staart geheel wit is, en de andere helft vier dwarsbanden heeft. Op de bovendeelen is het vogeltje mooi grijsbruin met groenen weerschijn en op rug en vleugels zijn tal van lichtbruine stipjes. De onderdeelen zijn gedeeltelijk grijsbruin. De pooten zijn blauwachtig grijs, de snavel is zwart. Snel kan het zich voortbewegen langs den waterkant, waar het allerhande torretjes en waterdiertjes weet weg te snappen.

Ha, aan de overzijde van dien plas zien we een nog kleineren vogel, en telkens gaat de kop er van naar beneden, waarbij de staart opwipt, zooals we wel van tapuiten en kwikstaarten gezien hebben, doch meer in schommelende bewegingen. Weet je niet, dat we den Tureluur ook telkens van die nikkende bewegingen zagen maken? Juist, we hielden ze eerst voor gemoedsaandoeningen, maar die zijn het toch niet, want de vogel doet het ook, als er heelemaal geen gevaar aan de lucht is. Doch aan zulke bewegingen kan men dikwijls reeds op grooten afstand een vogel kennen en daaraan kennen we ook het Boschruitertje (Totanus glareola (L.)). 't Diertje staat vrij hoog op de groenachtige pooten, en door