Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/169

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

161

gewapende oogen kunnen we ook zien, dat de vederen der bovendeelen vrijwel overeenkomen met die van het Witgatje, doch de vele vlekjes zijn lichter. Ook mist de Boschruiter het wit aan den staart, en de pennen er van zijn van vele smalle dwarsbanden voorzien.

Vooral in het najaar komt deze vogelsoort zeer talrijk bij ons voor, doch in den winter laat ze zich bijna nimmer zien.

En nu zullen we den kleinen Oeverlooper of Steenvink (Totanus hypoleucos (L)) nog leeren kennen. Daartoe wippen we even den zeedijk op, waar we hem vrij zeker zullen ontmoeten. Hoor, een geluid, als dat van het Witgatje, maar zachter! Ja, daar vliegt de voortbrenger er van uit den voet van de steenglooiïng, om, na met vlugge beweging een halven cirkel beschreven te hebben, weer op de steenen plaats te nemen. Zoo hoort en ziet men ook dikwijls het vlugge kleintje uit slootkanten opvliegen en laag over het water scheren, om een vijftig meters verder weder tusschen wal en water te gaan trippelen.

Nu we voorzichtig achter den dijk langs sluipen en op de plaats, waar we het ruitertje verwachten, behoedzaam over den dijk gluren, zien we wel drie zulke vogeltjes bij elkander. Ze hebben het druk en wenden zich voortdurend links en rechts, om telkens wat weg te snappen. Aan de vormen kunnen we gemakkelijk zien, dat het vogeltje familie is van de eerder bezichtigde ruiters, en de soort kennen we aan het bronsachtig bruin van bovendeelen en krop, met de vele donkerbruine vlekjes en streepjes op rug, vleugels en staart, alsmede aan de onderdeelen en de zijdelingsche staartvederen, die wit zijn.