Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/24

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

16

roeivoeten genoemd worden, doen aan de pelikaanvogels denken. De vogel, hier voor ons, wordt dan ook tot de rotspelikanen gerekend. Hij wordt hier genoemd Jan van Gent en de wetenschap spreekt van Sula bassanus L.

Laat hem nu maar weer los. 0 wee, het beest doet geen moeite om weg te komen. 't Is te vreezen, dat het zijn vaderland niet meer terug zal zien. Waar dat ligt? Niet ver van hier. Uitgebreide broedkolonies vindt men op de rotsen aan zee in het Britsche Rijk. Toch komt de Jan van Gent bij ons zelden voor, het meest wel na stormen uit het Noordwest, zoodat we dan in die voorwerpen vogels hebben te zien, die niet tegen den storm konden optornen, en zich voor den wind naar hier hebben laten afzakken. Er komen dan ook meest jonge exemplaren voor, die te kennen zijn aan het zwartbruine vederkleed, dat met witte stipjes als bezaaid is. In den zomer ziet men zeer zelden een voorwerp dezer vogelsoort bij ons. Misschien zouden er meer komen, wanneer wij voor Nederland ook rotsachtige kusten konden aanwijzen.

En nu laten we den Jan van Gent aan zijn lot over, en we spoeden ons naar het strand, waar zich nog twee vogels bewegen. Kijk, kijk, ze houden het lichaam geheel opgericht;en ze doen denken aan de pinguins, die dikwijls in groot aantal op zeegezichten gemaald zijn. Ze willen naar zee, en in hun haast vallen ze meermalen voorover, waaruit blijkt, dat ze bij het loopen het lichaam moeilijk opgericht kunnen houden. Wanneer we ze van nabij willen bekijken, hebben we te zorgen, dat ze niet in zee komen, want daar weten ze zich te redden. Goed