Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/25

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

17

zoo! Nu kunnen we ze omsingelen. En vliegen ze nu heen? Niet gemakkelijk, want tot vliegen zijn hunne vinvormige vleugels minder geschikt. Ze hebben er meer aan, wanneer ze in het water duiken, om er hun prooi te vervolgen, wanneer de vleugels als roeispanen dienen.

Ook de achterlijke stand van de pooten wijst er op, dat we met zwem- en duikvogels 1e klasse hebben te doen.

Wat bedremmeld kijken de dieren, die thans als juffershondjes opzitten, ons nu aan! Maar ziet ge wel, dat de snavels van beide vogels verschillen? De eene heeft een breeden, of beter gezegd hoogen bek, die aan elke zijde drie dwarse voren laat zien; de andere heeft een priemvormigen snavel. Het vederkleed van beide vogels verschilt niet veel. De beide vogels behooren tot de Alkvogels of Alcidae, maar die met den hoogen snavel vertegenwoortigt de soort Alca torda L. of Alk, de andere de Uria troile L. of Zeekoet. Beide dieren komen des winters zeer gewoon aan onze kusten voor, maar in het voorjaar trekken ze naar hunne broedplaatsen in het Noorden van Europa, waar elk wijfje slechts één ei op de kale rotsen legt. Zeer zelden blijft hier voor den zomer een enkel exemplaar achter.

Nu we nog even de zwarte vederen der bovendeelen en het overigens witte vederkleed hebben bekeken, laten we de dieren vrij, die spoedig met waggelpasjes den waterkant opzoeken en weldra toonen, dat ze hun element teruggevonden hebben. Straks in het voorjaar zullen ze terugkeeren naar hun broedplaatsen, waar evenwel ook de behoeftige kustbewoners niet alleen de eieren, maar ook de vogels buitmaken, zij het dan ook dikwijls met levensgevaar. Want niet altijd laat de branding toe,