Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/26

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

18

dat men er gemakkelijk de rotsen nadert, die dikwijls steile wanden hebben.

't Is te wenschen, dat deze vogels niet al te veel worden vervolgd, opdat ze niet in het lot hebben te deelen van den Ongevleugelden Alk (Alca impennis), van welke soort men in de laatste 50 jaren nergens een exemplaar meer heeft kunnen aantreffen, zoodat zij ongetwijfeld uitgestorven is.

 

 

V.


Bij het Wilsternet.


Op een groote weide ligt uitgespreid een rechthoekig net, waarvan de beide lange zijden aan stevige pezen en de korte zijden aan stokken zijn verbonden. Die stokken kunnen aan het eene eind draaien om paaltjes, welke stevig in den grond bevestigd zijn, en aan het andere eind zijn ze verbonden aan stevige koorden, die alles strak gespannen houden. Aan een van die koorden is de treklijn verbonden, waaraan de vogelaar, die zich achter gindsch schermpje schuil houdt, slechts een ruk behoeft te geven, om het net met geweld te doen omslaan. Zie, bij het net zijn opgestopte vogelhuiden geplaatst! Ze zijn van goudplevieren en kieviten. Waarom ook van laatstgenoemde vogels, die immers niet gevangen mogen worden? Ik zal 't u zeggen.

Goudplevieren leven gaarne in gezelschap van kieviten, en waar ze deze op de weide zien zitten, daar laten