Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/35

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

27

En het nestje? Ook dit laat zich moeilijk ontdekken. Komt ge in de nabijheid er van, dan laten de beide pleviertjes een angstig „tierk, tierk” hooren, en goed toezien is dan de boodschap. Maar pas dan ook op, dat ge het niet vertreedt.

Zie, daar is het. Een klein kommetje in het zand en gevuld met schelpgruis, waartusschen de eiertjes, grijs met zwarte lijntjes en vlekjes, voor meer dan de helft bedolven zijn. Is het wonder, dat men ze voorbij loopt? Volstrekt niet. En de grijze jongen gelijken nog meer op zandkluitjes dan de jeugdige Kluiten van daareven.

We hebben dus bedekkende kleuren gevonden bij de Nachtzwaluwen (Caprimpulgus europaeus L.), bij de jonge Kluiten (Recurvirostra avosetta L.) en bij de Strandplevieren (Charadius alexandrinus L.). Maar we konden het nu alleen doen in gedachten. Wie deze vogelsoorten wil leeren kennen in de Natuur, moet nog eenig geduld hebben. Want ze vertoeven nog in hunne winterkwartieren.

De Kluit keert tot ons in Maart, soms reeds einde Februari, het Strandpleviertje wacht tot April en de Geitenmelker komt pas in Mei. Niemand verzuime dan (in Mei legt elke vogel een ei) oude vogels, nesten, eieren en jongen in de vrije Natuur te gaan bekijken. Dergelijke excursies zijn genotrijk, en ze doen veel liefde voor onze gevleugelde vrienden ontwaken, ook bij de jeugd, als ze maar geschieden met besef en onder goede leiding.