Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/36

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

28

 

VIII.


Onder de Bruine Jagers.


Maart moet negen zomersche dagen geven. Wanneer hij in dit opzicht zijn plicht betracht, kan het mooi zijn, ook aan het Noordzeestrand. Men gevoelt dan het ontwaken der Lente, en ook de vogels gevoelen dit. De meeuwen maken dan hoog in de lucht zeilende bewegingen, waarbij ze allerlei zwenkingen en kringen beschrijven, zonder dat men vleugelbewegingen kan bespeuren. Wat moeten de menschelijke vliegers van dezen tijd zich nog klein gevoelen, wanneer ze zoo die prachtige langvleugelige vogels sierlijk door het luchtruim zien zweven!

Hoe kalm is de zee nu! Men kan het bijna niet gelooven, dat ze de sterkste schepen tot wrakken kan beuken. Hoe aardig krullen de brandinggolfjes bij het strand op en hoe gretig worden de meegevoerde kreeftdiertjes door verschillende strandloopers weggepikt, wanneer het water terugvloeit.

Zie, ook enkele meeuwen zijn aan het visschen. 't Zijn Stormmeeuwen (Larus canus L.) die ook Kleine Zeemeeuwen genoemd worden. In groote vluchten kunnen ze op het land komen, wanneer hooge getijen banken en stranden doen ondervloeien.

Kalm zet zoo'n meeuw zich op de zee, en met draaiende bewegingen wordt naar alle zijden scherp uitgezien, of er iets valt te bikken. Meermalen vliegt een voorwerp op, en met genoegen blijft dan het oog zien het reine kleed: smetloos wit op de onderdeelen en zacht-blauw op vleugels en mantel. Aan de groenachtige pooten kan men