Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/42

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

34

 

X.


Stormvogeltjes, Draaihals en Bijgeloof.


Wie des winters dikwijls op en bij de zee vertoeft, kan er vogels leeren kennen, die er des zomers niet zijn, en die elders in het land bijna nimmer voorkomen.

Zoo kan men aan het Noordzeestrand gedurig de zwarte Stormvogeltjes waarnemen en wel in twee soorten. Het eene wordt gewoon Stormvogeltje (Procellaria pelagica L.) en het andere Vaal Stormvogeltje (Procellaria leucorrhoa Vieill) geheeten. Het eerste is roetzwart, het tweede meer grijsachtig zwart.

Wanneer men deze vogeltjes voor het eerst ziet, maken ze een eigenaardigen indruk, daar ze met langzame vleugelslagen vliegen, en op de golven loopen. En bij stormachtig weer kunnen ze meermalen met vele exemplaren bijeen zijn, terwijl ze dan wel de schepen trachten te naderen, misschien wel, om er veiligheid te zoeken. En zoo brachten ze meermalen onrust bij de zeelieden, die de donkere, zwevende schaduwen plotseling voor den dag zagen komen, wanneer het schip het hard te verantwoorden had. Nu eens schenen ze op het schip toe te snellen, dan weer leek het, of ze den weg wilden wijzen; nu waren ze achter, dan op zij, en steeds gingen ze zonder geruisch voort te midden der verbolgen elementen, waar ze den zeeman den schrik om het hart deden slaan. Wat het waren, wist hij niet, evenmin van waar ze kwamen of wat ze wilden.

Door vele zeelieden werd mede beweerd, dat die zwarte vogeltjes afkomstig waren van een oude dame, die om