Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/56

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

48

aan de onderzijde der steenen, terwijl een zijdelingsch vlieggat toegang tot het zachtbekleede ledikantje geeft.

De Huiszwaluw is kleiner dan de Boerenzwaluw en minder kleurig, maar het wit van de stuit, waarnaar de de soort ook Melkstaartje en Witgatje genoemd wordt, kan men in de vlucht tot op aanmerkelijken afstand herkennen.

En nu gaan we een broedkolonie van de derde bij ons voorkomende zwaluwsoort, de Oeverzwaluw (Cotile riparia L.), bezoeken.

Zie, daar is een afgegraven hoogte met steilen wand, en op gelijke hoogten ziet ge een tiental gaten, waarin de oningewijde misschien ratten- en wezelholen wil zien. Maar kom even in bedekking, en ge zult het beter weten. Daar naderen reeds in snelle vlucht een paar grijze vogeltjes, en na een paar zigzagjes voor den wand gemaakt te hebben, verdwijnen ze in de gaten. Wanneer ge nu wilt zien, waar ze gebleven zijn, moet de hoogte ongeveer een meter breed weggegraven worden. Daar zijn de einden der gangen, en in eene verwijding is het nest gemaakt van een weinig gras en veel veêren. In „Fauna Neêrlandica" van „Artis", kan men een dergelijke broedkolonie nagebootst vinden, en aan den achterkant er van ziet men de nesten met de eieren. Ook is aan de zijde een hol waarneembaar, dat in het midden eenige daling aangeeft, blijkbaar aangebracht, om mogelijk invloeiend water geen toegang tot het nest te geven.

Wat een kolossalen arbeid heeft zoo'n Oeverzwaluwenpaar toch moeten verrichten, om een hol in den wand te graven! Want dikwijls is de grond hard, en meermalen ook stuiten de vogels op harde voorwerpen, en