Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/64

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

De groote Zeearend, de bescheiden Nachtegaal en de kleine Winterkoning, alle drie zijn majesteiten, elk op zijn wijze. Het koninklijke, waarin we hebben te zien waardigheid en majesteit, is niet aan grootte en kracht gebonden.

 

 


XVII.


Mooigevederde vogels.


Er komen vogels bij ons voor, die aan de tropen doen denken. Denken we eerst aan den Pestvogel (Bombycilla garrulus L.). Waarom dit fraaie dier bij ons zoo'n leelijken naam moet dragen? 't Is het bijgeloof, dat hier een woordje meespreekt. Het dier verschijnt slechts zeer onregelmatig bij ons. Nu eens ziet men er op den trek vele, dan weer weinige, en telkens ook zijn er jaren geweest, waarin geen enkel voorwerp dezer soort zich in onze streken vertoonde. En het toeval heeft gewild, dat in vroegere tijden enkele malen de gevreesde pestziekte uitbrak, toen deze vogel zich menigvuldig bij ons vertoond had. Het gevolg was, dat men in zijne verschijning een voorbode van de pest zag, en pestvogel was zijn naam. En, gegeven namen worden nu eenmaal niet zoo spoedig teruggenomen, anders zou de bij ons plaatselijk voorkomende naam Zijdestaart wel zoo passend zijn. Ook de Duitschers noemen hem Seidenschwanz, terwijl men bij het Engelsche Waxwing denkt aan dezelfde bijzonderheid, waarnaar deze vogel in Groningen wel Lakvogel