Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/66

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

58

zwak om het dier te dragen; bovendien zijn aan elken poot de buitenste en de middelste teen tot op de helft samengegroeid. Maar het vederkleed is boven lof. Bovenkop en nek zijn donkergroen met lichtere dwarsvlekken; de rug is metaalblauw, terwijl zijden, vleugels en staartpennen donkerblauw zijn, met lichtblauwe vlekjes op de vleugels. Bij de ooren en aan de teugels ziet ge een roestkleur, die ook hoofdzakelijk de kleur der onderdeelen is, witachtig is de keel, en ook een vlek achter de oorstreek heeft die kleur.

We hebben het gezien, dat de IJsvogel een zeldzaam veelkleurige, maar tevens zonderling gevormde vogel is. Verbazen moet men zich er evenwel over, dat een dier met zulke zwakke pooten een hol van wel een meter lengte in een slootwal kan graven, aan het einde waarvan zijn nest is. Op enkele vischgraten worden de 8 à 11 bijna kogelvormige, glanzig witte eieren gelegd, en de jongen, die een muskusgeur van zich geven, worden eerst met wormen en insecten, en later met visch gevoed.

Zie, daar plompt de IJsvogel als een steen in het water, en met een vischje in den snavel komt hij weer boven. Al dien tijd heeft hij geduldig zitten wachten, of er iets van zijne gading wilde komen, en dan grijpt hij bijna nimmer mis. Zoo vischt hij ook in zoet water.

De IJsvogel wordt aangeduid met den naam Alcedo. Dit woord is afgeleid van Alcyon en van Halcyone. Halcyone nu, zoo zegt het verhaal, veranderde zich bij het zien van het lijk van haren echtgenoot Ceyx, in het water omgekomen, in een IJsvogel, die alleen op het water leefde en de stormen kon doen bedaren, daar, waar hij zijn nest op het water bouwde. Verband met dit verhaal