Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/68

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

60

spaard gebleven, dat men binnen afzienbaren tijd weder dichtbevolkte broedkolonies in het land kan hebben. Dan zal 't er weer uitzien, als voor eenige jaren, toen men in den broedtijd de voeten nauwelijks vrij neer kon zetten, wilde men geen nesten vertrappen. Verbeelden wij ons even dien tijd terug!

Zie, daar zweven ze boven de slooten en het beekje van den polder, de mooie vischdiefjes (Sterna hirundo L.)! Van eene hoogte van een meter of 5 bespeuren ze met de scherpziende oogjes gedurig een vischje of een zoetwatergarnaal. Dan blijft zoo'n vogel plotseling „staan" in de lucht, onmiddellijk boven het beloerde hapje. De vleugels worden herhaaldelijk snel op en neer bewogen, wat „bidden" genoemd wordt. Plotseling worden de vleugels langs het lijf getrokken en de vogel plompt omlaag, om bijna zeker het begeerde te grijpen. Spoedig herrijst hij uit den vloed, schudt de waterdroppels van de veeren, en met forsche wiekslagen gaat hij weer verder op nieuwe schatten uit. Aardig wordt de overigens eenzame streek door deze vogels gedecoreerd en verlevendigd.

Diepgevorkt is de staart van het vischdiefje en grijsblauw zijn de mantelvederen, die rein passen bij het helderwit van de vederen der onderdeelen. Ook het zwarte kapje staat mooi daarbij. Wanneer we de broedkolonie bezoeken, zien we spoedig een gordijn van vogels naar alle zijden en ook boven ons, een halve kogel van Sterns!

Pas op, daar is een nest! Of een nest kunnen we het eigenlijk niet heeten. 't Weidegras is een weinig neergedrukt, en daarop liggen de drie elliptische eieren. Sommige vischdiefjes evenwel getroosten zich wat meer