Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/69

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

61

moeite voor het legsel, en maken een met droog gras bekleed kuiltje in den bodem.

Zie, al weer een nest, nog een, vijf, tien, twintig, zooveel ge wilt. 't Is geen kunst, om zoo in enkele minuten eenige honderden eieren te zien. En dan valt de verscheidenheid in grondkleur en vlekken zeer op. Men ziet alle variaties tusschen blauwwit en koffiebruin en de vlekken zijn nu eens kleine, tamelijk regelmatige stippen, dan weer ruwaangebrachte plekken, als het ware. En dikwijls zijn de verschillen bij de eieren van hetzelfde legsel aanmerkelijk. 't Is wel een raadsel, hoe elke vogel zijn eigen nest terug kan vinden. Doch er is nog veel onbegrijpelijks in het vogelleven.

Lang heeft men gemeend, dat het Vischdiefje de eenige zeezwaluw met roode pootjes was, die bij ons broedde. Want de Noordsche of Zilvergrijze Zeezwaluw (Sterna macrura Naum.) werd tot 1898 door allen, inzonderheid door den bekenden vogelkundige mr. Herman Alberda, als zeldzaam voor ons land beschouwd.

In genoemd jaar evenwel werd door mr. R. baron Snouckaert van Schauburg en ondergeteekende geconstateerd, dat deze vogel een plaats kon krijgen op de naamlijst van Nederlandsche broedvogels. En spoedig daarna bleek het, dat ze bijna even veelvuldig voorkomt, als het Vischdiefje. Vermoedelijk is ze dan ook eerder aan de aandacht ontsnapt, daar ze in houding en vederkleed zeer veel op het Vischdiefje gelijkt. Alleen van nabij kan men zien, dat ze meer donkergrijs op de borst is, dat het zwart aan de snavelpunt ontbreekt, dat het rood van bek en pooten meer karmijnkleurig is, en dat ze smallere zwarte schachtzoomen aan de vleugelpennen