Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/79

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

71

groote nest, van kleine takjes en verder van riet vervaardigd, en belegd met zachtere plantendeelen. Waren we hier eenigen tijd eerder gekomen, dan zouden we hebben kunnen vinden de vijf blauwgroene, weinig langwerpige eieren, die niet grooter zijn dan gewone hoendereieren. Maar nu zien we in het nest vijf kwaadaardige jongen, die bij onze nadering naar den rand terugwijken. Ze zien er zeer krijgshaftig uit, al kunnen ze nog niet veel uitvoeren, en aan hunne houding is het reeds te zien, dat ze later een schrik zullen zijn voor muizen en ook wel voor vogels. Dat bewijzen de kleine resten, die in de nabijheid van het nest te vinden zijn. De jongen zijn ook niet meer zoo heel jong, wat te zien is aan de vederspoelen en de vele huid-schilfers. De pasgeboren Kuikendiefjes zijn bedekt met een zacht dons.

De Bruine Kuikendief (Circus aeruginosus [L.]) is, hoewel het meest voorkomende, voor ons land niet de eenige soort uit het geslacht Circus. Ook de Blauwe Kuikendief (Circus cyaneus [L.]) is geen zeldzame verschijning, ook niet als broedvogel, en ditzelfde kan ook gezegd worden van den Grauwen Kuikendief (Circus pygargus [L.]), terwijl de Steppenkuikendief (Circus macraurus [S.G. Gmel]) voor Nederland een zeldzame vogel is. Deze soort behoort tehuis in het Zuiden en Oosten van Europa en verder in Azië.

Wie de Kuikendieven niet kent, heeft, om ze van andere roofvogels te onderscheiden, acht te geven op een krans van schubachtige vederen, waarmede het aangezicht als met een sluier omgeven is. Ook zijn ze wel te kennen aan de lange vleugels en aan den langen staart, alsmede aan de hooge pooten, die aan de voorzijde met