Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/86

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

78

zes hemelsblauwe, ongestippelde eiertjes zoo knusjes bijeen zien liggen. Hoor het mannetje, en zie het angstige wijfje! Hoe bang zijn de vogeltjes, dat we hun schat zullen rooven. En zouden we nu alles weer in dezelfde voegen kunnen krijgen, opdat de diertjes door eenige verandering het nest niet zullen verlaten? Wees niet bezorgd, want zoo nauw nemen de Tapuiten het niet. Zelfs, wanneer we de zode niet op de oude plaats terug brachten, zou het wijfje op het nest terugkeeren. Ziezoo, alles in gereedheid? We gaan heen, en spoedig zal de rust voor de vogeltjes teruggekeerd zijn.

De gewone Tapuit doet zich veelvuldig en op tal van plaatsen in ons vaderland voor; maar er is ook nog een langvleugelige vorm, de Saxicola oenanthe leucorhoa (Gmel.), of Noordelijke Tapuit, waarvan slechts eenmaal met bekendheid een voorwerp in ons land is gevangen. Deze soort broedt in het hooge Noorden, maar komt op den trek wel meer voor, dan gedacht wordt.

Meermalen kan men ook broedende bij ons vinden de Roodborsttapuit (Pratincola rubicola [L.]), die van Maart tot November bij ons woont, en waarvan zelfs in den winter enkele voorwerpen bij ons blijven. Nog kunnen we, vooral in de duinen, menigvuldig vinden het Paapje (Pratincola rubetra [L.]), doch dit stompstaartje zullen we later nog eens in zijn intieme leven beschouwen, te midden van Kneutjes en Rietgorsen.

Waar we heden aandacht gevraagd hebben voor de mooie en vlugge Tapuiten, daar wordt iedere vogelvriend uitgenoodigd, acht te willen geven op het voorkomen van deze lieve dieren.