Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/94

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

86

zijner valken weg, en kwam in het bezit der Turken, die niet geneigd waren den vogel voor duizend goudstukken af te staan.

Keizer Karel V stond aan de Johannieters, die ook wel „Ridders van de Orde van Sint-Jan van Jerusalem" genoemd werden, het eiland Malta in volle leen af, onder de enkele voorwaarde, dat ze hem ieder jaar een jachtvalk leveren zouden.

Reeds in 700 voor Chr. moet de valkenjacht in MiddenAzië in zwang geweest zijn, wat de Chineesche jaarboeken vermelden. Pas 12 eeuwen later begon men er in Europa mede, en in de dagen der kruistochten kwam ze er tot hoogen bloei. Ook in ons land beoefende men deze jacht en de valkerij op Het Loo had wereldberoemdheid. De Nederlandsche valkeniers stonden in hoog aanzien, daar ze handig waren, zoowel in het vangen, als in het africhten van valken.

De dichter Van Lennep zingt in zijn „Nederlandsche Legenden" in „Jacoba en Bertha":


„Haar (Jacoba n.l.) volgde een aantal ed'le heeren,
 Op 't jachtvermaak belust,
Met boog en pijl en korte speren,
 Volkomen toegerust;
Terwijl de blijdste tochtgenoot,
 De kloosterheer, den trein besloot,
Gedost in jachtgewaad.
 Een witte valk, een edel dier,
Zat op zijn vuist en pronkte fier
 Met kap van inkarnaat."


't Blijkt hieruit, dat ook de Abt van Egmond, heer