Naar inhoud springen

Pagina:Java-bode vol 028 no 273.pdf/4

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

gebeuren. Ik zou er op durven wedden, dat hij, in den grond van zijn hart, den moordenaar, als een soort van held in zijn vak bewondert. Zóó moordt niet iederen; zóó moordde zelfs Jut niet. Wij hebben ons toen, bij gemis van beter, met Jut tevreden gesteld, maar Jut was, eigenlijk en onder ons gezegd, een heel gewone alledaagsche moordenaar, een beunhaas-moordenaar, maar de moordenaar, de man die den moord beging, is een geniale.
„De ontdekking van den briefschrijver, van den dus, in elk geval, medeplichtige aan het wegvoeren van het slachtoffer, kwam juist van pas om de insluimerende belangstelling weder wakker te schudden. De eerste opgewondenheid der gemoederen was bedaard; zij was niet bestand tegen de eentoonigheid van het daaglijks vragen en antwoorden: „Is er al iets nieuws bekend? is de moordenaar al ontdekt?” — „Niets nieuws bekend, en noch geen moordenaar ontdekt.” De tragedie begon, na het uitloven der premie, iets komisch te verkrijgen; om de ƒ 10,000 te verdienen werden kommissariaat van politie en parket plat geloopen door lieden die van alle kanten doodonschuldige verdachten en vermoedelijke moordenaars kwamen aandragen; de premie werkte, zooals zij bijna altijd werkt, belemmerend voor den gang der justitie; telkens werd deze door al die valsche sporen, welke zij nagaan moest van het zoeken naar het rechte spoor, afgetrokken. Na echter is er zooveel spoor ontdekt, dat de volledige ontdekking niet kan uitblijven; het moge, op dit oogenblik, noch onzeker zijn, of de gevangen genomen persoon een medeplichtige is, of een mededader, of een hoofddader, die onzekerheid zal niet lang kunnen duren; wie eens zóóveel bekend heeft, wat hij belang had te ontkennen, bekent ten slotte, alles.
„Ziet daar de nieuwe groote gebeurtenis in de groote Hagestad. Maar is den Haag eigenlijk wel, zooals wij Hagenaars (want ik ben óók een in ’s Hage geboren en getogen Hagenaar,) voorgeven een groote stad? een, als wij ons eene nederig voordoen willen, klein Brussel ten minste, zoo al niet een klein Parijs?
„Waarom word ik door deze vraag geplaatst tusschen mijn ijdelheid en mijn waarheidsliefde? Wat maakt een atad groot? de bunders oppervlakte welke zij beslaat? de tienduizendtallen haar inwoners? de lengte harer straten? de groote afstanden tusschen de eindpunten der gemeente?
„Als dit voldoende is om de wereld groot te maken, ja, dan is den Haag een groote stad. Wij zijn, wat de bevolking betreft, de derde stad van het land en pl. m. 112,000 zielen (men telt hier noch altijd bij zielen) rijk; ’s Hage strekt zich uit van den rijswijkschen weg tot aan de zee — wat, als men het loopen moet verbazend en ververvelend ver is — en heeft lange rijen lange straten.
„Naar het mij dunkt is den Haag wel een lange en breede, maar geenszins een groote stad. Er is niets grootsch in, niets wat de grootheid eener stad kenmerkt; den Haag, in één woord, heeft niets grootsteedsch. Behalve een enkel schaarsch huis uit den ouden tijd, zult ge er geen enkel monumentaal, zelfs geen deftig, indrukmakend gebouw vinden. Onze zoogenaamde vorstelijke Paleizen zijn niets meer dan burgerhuizen; het Mauritshuis uitgezonderd, zijn al onze Museums en Kabinetten gewone huizen, waar onze kunstverzamelingen onder dak gebracht en, zoo goed het ging, ingestopt en soms verstopt zijn. Een Paleis van Justitie (waarom het niet in goed en verstaanbaar hollandsch, het Rechthuis genoemd?) bezitten wij niet; zelfs niet eens een, zooals de moderne term luidt, Gerechtsgebouw; alles is verdeeld en versnipperd in onoogelijke en ondoelmatig ingerichte lokalen; het onoogelijkste van allen, het afzichtelijke gebouw van den Hoogen Raad, is thans, Gode zij dank, achter een eerlijke schutting, een schutting die geen pretentie maakt iets anders dan een schutting te zijn, verscholen, maar, helaas, ééns zal er toch een dag komen dat die weldoende schutting weder verdwijnt en het Hooge Raadshuis weder in al zijn leelijkheid herrijst! Onze departementsgebouwen, waar de ministeriën hun bureaux houden, wedijveren in smakeloosheid; alleen het departement van Koloniën dingt daarin niet mede naar den prijs omdat dit algemeen erkend is, het onovertrefbaar ideaal aan smakeloosheid te zijn. Voor het nieuwe departement van Justitie maak ik een uitzondering, maar het moet de proef des tijds noch doorstaan, voordat men een definitief oordeel kan vellen; het is nu noch te nieuw, te versch, te onbestorven voor een op ouderwetschheid en ouderwetsche deeglijkheid aanspraak makend gebouw.
„In een werkelijk groote, d. i. grootsteedsche, stad, zoekt men terstond naar smaakvolle, elegant ingerichte, met talent uitstallende winkels en groote prachtige magazijnen. Zoek den geheelen Haag door; gij zult ze nergens vinden. Ga ze vooral niet zoeken in de nieuw verbouwde zijde van de Lange Pooten; gij zult er pronkerige, opgeschikte, kakelbontkleurige winkeltjes aantreffen; wat de verwkwast er aan doen kon, heeft zij konscientieus gedaan; maar fraai kon zij ze niet maken. Die popperige winkeltjes vloeken daarenboven met het modern-antiek departement van Justitie dat den eenen sluithoek vormt, en, om de smakeloosheid van het geheel te volmaken, staat, midden in, de fameuse poort zonder deuren, die moet leiden naar een passage, die er niet is, die er, waarschijnlijk en wenschelijk, nooit komen zal, en die, als ze er bij ongeluk kwam, tot niets dienen zou. De roem der „kamer streken” wordt door dezen haagscheen streek totaal vernietigd. Verbeeld u iemand die voorneemt zich een groot, prachtig huis te bouwen, die begint met de stoep en de straatdeur, en daarna eerst bemerkt, dat er geen plaats overschiet om achter de deur het huis op te bouwen, omdat hij dadelijk stuit op aan zijn terrein palende erven der achterburen. En wat zouden wij, als onverhoopt achter de passagepoort eens een passage kwam, aan die passage dáár hebben? In een druk bezochte wijk, waar veel geloop, gedrang en gerij is, kan zulk een doorgang, zulk een niewe kommunikatie tussehen de meest bedrijvige standen, van groot nut en gemak zijn; maar welke andere reden dan de kinderachtige, om óók een passage te hebben „net zoo goed als Rotterdam”, kan er zijn voor een doorgang tusschen de Pooten en het Binnenhof?
„Over de nieuwe straten en de nieuwe huizen er in, kan ik kort zijn. Er wordt aangebouwd tot aan het onzinnige toe; straten op straten en huizen op huizen verrijzen aan verschillende kanten: aan den Bezuidenhout, aan de Laan van Meerdervoort (onzaliger gedachtenis), aan en om den seheveningschen weg en de scheveningsche boschjes, langs het Kanaal, langs den loosduinschen weg enz., alsof men bouwde voor de ingezetenen die in de twintigste eeuw in ’s Gravenhage zullen komen wonen; in aooverre is het, ik moet het erkennen, te begrijpen, dat de eerzame Hagenaar, door deze kolossale invasie van baksteenen verbijsterd, gaat gelooven, dat hij werkelijk woont in een groote, niet enkel in een lange en breede stad. Maar zie nu eens wat en hoe gebouwd wordt. Al de nieuwe straten en al de huizen er zijn evenbeelden. Lange, breede, lijnrechte, stuiverige en winderige straten, waar niemand komt die er niet wezen moet, leege, stille, doodsche straten, waar men den dief zou zegenen die kwam inbreken, omdat men dan ten minste noch eenige distractie had; maar zelfs de dieven bedanken er voor, in zoo’n ongezellige buurt te komen stelen. Behoef ik u de huizen te schetsen? Zij zijn als alle nieuwerwetsche huizen overal elders, allen even hoog, even breed, allen met hetzelfde stupide en idiote uitzicht, naast elkander geschaard als soldaten in het gelid. Alles is even eenvormig, eentoonig en karakterloos. Gelukkig duren zij, in den regel, geen veertig jaar. Dat is ten minste een troost.
Dit is, wat mij het meest hindert. Scheveningen heeft een type; Scheveningen heeft een karakter; den Haag heeft noch het een noch het ander. Het heeft niet eens het karakter van hetgeen het indedaad is, de buitenwijk van een visschersdorp, van welke het bestaat en dat het voedt. De haagsche stedemaagd, als zulk een fantastisch wezen bestond, zou men zich moeten voorstellen, niet als een schoone, gracieuse elegante en ietwat coquette jonge dame, maar als een rijke, onopgevoede reedersdochter, boersch van aard en van manieren, die zich opzichtig kleedt en opsmukt, en behangen is met allerle dikke gouden sieraden en edelgesteenten, die zij niet weet hoe zij ze dragen moet. De haagsehe stedemaagd is vol pretensiën, maar zij mist allen smaak en alle bevalligheid.
„Erken, wat een eerlijke, opregte waarheidlievende Hagenaar u schrijft. Erken mijn zedigheid en mijn onpartijdigheid, dat ik een haagsche inboorling, wiens wiegje eens hier stond, en wiens graf hier eens zal staan (als ik ten minste niet op Eikenduinen begraven word,) zóó over de Hagestad, over het groote den Haag schrijven durf. Maar verraad, in ’s Hemels naam, mijn incognito niet aan mijn stadgenooten, want zij waren in hun verontwaardiging in staat, er den moord en den moordenaar om te vergeten. En noch heb ik alles niet gezegd, wat mij op het hart ligt.”

HET VERGAAN DER AARDE.

Wij, en ook de andere planeten en kometen, doorklieven met de zon de onbekende ruimte van het Heelal. En het is juist in deze steeds nieuwe en onbekende ruimten, dat er zich toestanden kunnen voordoen, waardoor de tegenwoordige wereldorde een onmooglijkheid wordt en er een ontknooping plaats grijpt die noodlottig kan zijn.
Thans beweegt de zon zich in een richting, die zeer dun met sterren (zonnen) bezaaid is; maar zal dit altoos zoo zijn? De astronomen hebben tot nu toe noch niet waargenomen, dat de verafgelen sterren eenigen invloed op ons zonnestelsel oefenen, maar wie wil in de toekomst borgstaan dat deze invloed zich ter eeniger tijd niet laat gevoelen en den band breekt, die de verschillende deelen van ons stelsel aan de zon verbindt of dat die band zoodanig wordt gewijzigd dat een geheele vernietiging er het gevolg van wordt?
De sterrekundigen weten nu reeds, dat de omwentelingssnelheid van de komeet van Encke reeds met 1/1000 van haar tegenwoordige is toegenomen, en nemen een wederstand biedende vloeistof aan (aether). Nam nu deze verandering in gelijke mate toe, dan zou die komeet in 16000 jaar dubbel zoo snel om de zon vliegen. Wel is waar heeft men ten opzichte der planeten den invloed van den aether niet waargenomen, maar of deze door hun grooter vastheid en massa als nul te beschouwen is, kan met geen zekerheid uitgemaakt worden. Waar de door den aether bewerkte tegenstand noch zoo gering, en liet zich eerst over vele millioenen jaren gevoelen, dan zou met onze planeten hetzelfde plaats grijpen als met de komeet van Encke en het gemeenschappelijk graf van al de leden van ons zonnestelsel zou de zon wezen, die hun mooglijk de geboorte gaf.
Gelijk alle stof van de aarde weder tot de aarde terugkeert, om door de scheppende kracht weder tot andere vormen verwerkt te woerden, zoo wordt ook de stof, waaruit thans de ons bekende planeten en kometen, die om de zon wentelen, tot nieuwe werelden gevormd, nadat deze aan hun doel beantwoord hebben.

EIGENAARDIGHEDEN VAN SCHOPENHAUER.

De beroemde wijsgeer Arthur Sohopenhauer kon niet verdragen dat men zijn naam met twee p’s spelde, en dreigde eens een schrijnwerker, die een rekening ten name van „Schoppenhauer” had ingeleverd, in vollen ernst, hem niet te zullen betalen als hij ooit weêr in dezelfde fout verviel.
Het is bekend, dat de filosoof altijd een bizonder grooten eetlust had. In de restauratie, het „Engelsche Hof”, te Frankfort, waar hij geregeld het middagmaal gebruikte, moest hij dubbel betalen.
Soms, als hij daar met zijn medegeabonneerden aan tafel zat en in een bizonder slechten luim was, legde hij een goudstuk voor zich neer, en zei tot zijn buurman, dat hij dit geld aan de armen zou geven als de heeren officieren in het gezelschap nu eens bij uitzondering niet over paarden of avancement zouden spreken. Maar ik zal wel nooit gelegenheid hebben — placht hij er dan bij te voegen — hen dat buitenkansje te laten verdienen.
Bekend is ook zijn afkeer van den baard, en hoe hij over de vrouwen oordeelde, zullen we maar liever verzwijgen.

EEN GELUKKIGE GREEP.

Zeker tooneeldirekteur, een verstandig man zeker, liet de voorstelling altijd voor middernacht eindigen, omdat hij geen extra gas wilde betalen.
Eens werd er een Maria Stuart van den een of anderen schrijver opgevoerd. Alvorens te sterven moest de veroordeelde een lange alleenspraak houden. Er kwam maar geen einde aan. Het zou over twaalven worden. Het publiek scheen de alleenspraak ook ruim lang te vinden.
Tusschen de coulisses ziet de direkteur een figurant staan van een Herkulische gestalte en gekleed als soldaat van Elisabeth.
„Ga op het tooneel en haal de koningin weg!” beveelt de direkteur.
„Haar weghalen?”
„Ja, beetpakken weghalen en achter de koulisses brengen! Als ze schreeuwt, des te beter!”
De figurant stormt het tooneel op, en grijpt Maria Stuart die, in de grootste verbazing, tegenstribbelt, worstelt en gilt, zoo natuurlijk, echt en waar, dat de toeschouwers, die bijna waren ingedommeld, weder wakker worden, applaudisseeren en, terwijl het gordijn valt, met geestdrift „den schrijver” roepen.
Bij het heengaan zei men:
„Het stuk heeft zwakke oogenblikken; maar het slottooneel is aangrijpend!”
„En wat schreeuwde zij natuurlijk!”
Dat mocht met recht „een gelukige greep” en tevens een zegepraal van het realisme heeten.

BISMARCK’S DORST.

De Rijkskanselier is een stevig drinker, maar niet meer zooals toen hij jonger was. „Vroeger” — dus vertelde hij eens — kon ik zooveel drinken als ik maar wilde en heb ik vrij wat aan zwaren wijn gedaan, vooral aan de Bourgogne!. Stevig drinken ligt bij Bismarck in de familie. Van een zijner voorouders heeft de Kanselier noch een brief, waarin onder anderen voorkomt: „Het vat Rijnwijn heeft mij zelven tachtig thaler gekost, maar als mijn geachte zwager dat te duur vindt, zal ik het, wanneer God mij het leven laat, zelf wel leegdrinken.”
Bismarck heeft zelf verteld, dat hij eens toen „de inwendige mensch niet recht in orde was,” twee dagen op de jacht was geweest; „maar,” zoo verhaalt hij „die twee dagen op de jacht in de frissche lucht, hielpen ook al niet. Den dag daarna kwam ik bij de kurassiers te Brandenburg, die een nieuwen beker gekregen hadden. Ik zou er het eerst uit drinken en den beker inwijden, en daarna zou hij rondgaan. Er ging zoo wat een flesch in. Ik hield mijn toespraak, dronk, en zette hem leeg weêr neer, het geen hen zeer verbaasde, omdat men geen hoogen dunk had van de mannen van de pen. Dat had ik in Göttingen geleerd. Zonderling, of misschien juist niet zonderling is het, dat ik mij daarna vier weken lang zoo prettig om de maag voelde als zelden te voren.
Tegenwoordig is Bismarck niet meer zoo sterk in het drinken. Zijn zenuwlijden en rheumatisme leggen hem menigen dwang in zijn leefregel op, en hij die anders dan geheelen dag zijn sigaar niet uit de hand legde moet zich nu vergenoegen met een pijp na het middageten, en bijvoorbeeld het champagne drinken geheel nalaten. Maar deze ontbering getroost hij zich filosofisch, en onlangs zei hij noch: „Ik stel mij voor dat ieder mensch, als hij op de wereld komt, een zekere portie sigaren en champagne meêbrengt. Mijn aandeel bedroeg 100.000 sigaren en 10.000 flesschen champagne. Die heb ik zoo ten naastebij gebruikt, en dus kan ik geen aanspraak maken op noch meer.”


MENGELWERK.



GEBROKEN GELOFTEN.


VI.

— Een aardig, goedhartig schepseltje, maar niet uit onzen stand, sprak de Lady tot haar oudste dochter, terwijl zij achterover, onder het naar huis rijden, in het rijtuig leunde.
— Toch is zij schoon en bevallig, mama, verklaarde de jongste dochter. Ik ben zeker dat zij een groote aanwinst voor den omtrek is. De Hemel weet, of wij hier niet het geheele jaar door, blijven! Dan zal een nieuwe kennis wat leven aan onzen kring geven; nu staan wij geheel op ons zelf, voegde de jonge dame er ongeduldig bij. Voor dit maal moet ik zeggen dat Algy’s keus mij bevalt en mij dunkt, wij moesten die kennis aanhouden; tamelijk jong, schoon, en zeker vermogend, zooals ik veronderstel, dat zijn geen verwerpelijke voorrechten, besloot Maud Valetowers.
— Om s’hemels wil Maud, neem zoo snel geen besluit. Dat is zoo dwaas. Ik ben zeker, ik hoop dat Algernon nimmer een vrouw van lage geboorte zal huwen, zooals Mrs. Reizardt waarschijnlijk is, al is ook alles waar, wat gij zegt. Mij dunkt hij mag hooger op zien. Het is in geen geval wenschelijk, dat uw eenige broeder, Lord Valetowers, een onbekende, misschien een parvenu, en weduwe huwt, zei Milady.
— Maar naar alles wat Algy zegt, is dit meer waarschijnlijk, dan gij een van beiden meent; en ik weet dat hij te huis altijd zeer knorrig en onaangenaam is, en dat gij hem altijd de schuld geeft van ons gebrek aan geld, om ergens heen te gaan. Wat hij ook deed onze positie zou moeilijk en onaangenamer worden, verklaarde Maud kalm.
— Maar ik zie toch ook niet in, dat wij het beter zouden krijgen als hij Mrs. Reizardt huwde, sprak Lady Valetowers kortaf. Wat mij betreft, ik geef nimmer mijn toestemming.
— Dan trouwt hij er zonder, dat is alles mama zei Maud; een lief, beschaafd vrouwtje, zou misschien een goeden invloed op hem hebben, en dat heeft hij wel noodig.
— Het is treurig om te zien, hoe weinig liefde gij voor uw broer voelt, Maud, merkte Milady op.
Mau Valetowers had tennaastenbij gelijk, met hetgeen zij zei; zij kende het humeur en karakter van haar broer zeer goed. Zij zag dat hij meer épris was van Beatriee Reizardt dan noch ooit met een andere dame het geval was, en wist tevens, dat de toestemming harer moeder van geen gewicht voor den kleinen Lord was, die volstrekt niet van haar afhankelijk, van het uur zijner geboorte tot nu toe, stelselmatig door haar was bedorven, terwijl zijn zusters steeds gedwongen waren, hun vermaken en wenschen op te geven, als ze in strijd waren met zijn wil, daarvoor was haar belooning van zijn kant algeheele onverschilligheid en zelfzucht. Want zonder wroeging maakte hij zich meester van alle baar geld, behalve de som bestemd voor het huishouden, alhoewel hij er geen recht op had, en hij hield allen steeds in spanning dat hij iemand beneden zijn stand zou huwen, dat gezelschap was hem het liefst. Dus was Mrs. Reizardt, voor zoover men wist, toch altijd beter dan vroegere minnaressen.
Hij wendde voor, en wat meer is voelde ook een zekere mate van genegenheid voor zijn jongste zuster, die zij op haar beurt beantwoordde; daarom had hij haar gedeeltelijk, in zijn vertrouwen genomen, wat Beatrice Reizardt betreft, zoodat Maud eenigszins op de hoogte zijner wensehen was. Wat haar zelf betreft, was zij door de schoonheid van Beatrice bij hun eerste ontmoeting geheel verblind.

VII

De zomerschemering nam toe; sterren schenen door de boomen van Netherwood, en hun schoone meesteres lag noch op haar sopha bij het venster, en beschouwde ze droomend; zij was niet geheel blind voor hun schoonheid; niet ongevoelig voor den zang der nachtegalen, die juist in een boom, dicht bij het huis waren beginnen te zingen.
De lamp verspreidde maar een twijfelachtig licht, en Beatrice deed haar uiterste best, om tusschen haar eerzuchtige wenschen, ten opzichte van haar adelijken minnaar ook aan teedere gevoelens een plaatsje in te ruimen. Het gelukte haar misschien eenigszins, maar zij bestonden toch alleen in haar verbeelding.
Zij stelde zich hem voor, meer zooals zij hem wenschte dan zooals hij werkelijk was; en deze pogingen vermaakten haar en hielden haar eenigen tijd bezig.
Beatrice Reizardt had zeven en twintig jaar van haar leven gesleten, zonder dat haar hart ook zelfs een zweem van vriendschap gevoeld had, veel minder van liefde; en zij vroeg zich kalm af, waarin dat gevoel zou bestaan; of zij dat haar leven lang nooit zou ondervinden, en eindelijk bepaalde zij vastberaden dat, zoo ooit, nu die tijd van zooveel genot en angst tevens, voor de deur stond.
Toen zij huwde, voelde zij voor haar echtgenoot eer afkeer dan liefde; maar zij stond alleen, zonder vrienden in de wijde wereld, dat was haar verontschuldiging, en toen hij gewoon aan haar schoonheid, haar onbeschoft behandelde verfoeide zij hem evengoed, als den kring waarin hij haar tusschenbeide bracht. De smerige, naakte vloer van een [ko]ud huis ia de stad, was een treurige ruil zelfs voor het sombere, stille klooster, waarin zij zoovele jaren harer jeugd had gesleten, en noch meer voor het afwisselende, bedrijvige leven in het Hotel Seville, waar zij vooral door haar kennis van de Engelsche taal een oude nicht, aan wie het toebehoorde, bijstond, en waar zij het eerst Mr. Reizardt zag en boeide. Mr. Reizardt, ijdel als hij was, verbeeldde zich dat het geld, hetwelk hem zoo na aan het hart lag, voldoende zijn zou om van zijn vrouw een Engelsche milady te maken. Met schrik dacht zij aan haar doorgebracht Engelsch leven; nu was het als een droom verdwenen. De toekomst zou haar slechts zonneschijn geven, en zij zegende het lot, dat haar wachtte en dat haar niet kon ontgaan.
In zeker opzicht, waren haar gebreken de schuld van anderen. Zonder liefde was zij opgevoed, had nimmer de beteekenis van het woord dankbaarheid leeren kennen, en was ongevoelig voor den zegen het te kunnen uitspreken.
Zij wilde niet verkeerd handelen, maar men had haar niet geleerd goed te doen; haar sterkste hartstocht was tot nu toe geweest, zelfverdediging tegenover de vele beleedigingen en grieven die men haar aandeed; maar nu waren zij voorbij en bijna vergeten, en in den laatsten tijd had zij zich toegelegd op de kunst om te behagen aan hen die zij wilde bevallen; ten volle overtuigd van haar schoonheid, en met hoogen dunk van haar positie, was deze taak niet moeilijk. Een onbepaalde wensch, om iets beters te doen of te zijn, bekroop haar tusschen beide maar hij bleef te zwak en onbepaald, om ten uitvoer, gebracht te worden. Zorg voor haar zelf en haar eigen genoegens, nam al haar tijd weg.
Mrs. Wilson sluimerde in de schemering, en Beatrice was verdiept in gepeins, toen de stem van haar gezellin haar deed opschikken.
— Lieve, sta snel op; daar is Lord Valetowers, Marie brengt hem naar de zijkamer of misschien komt hij regelrecht hier heen.
— En waarom zou ik snel opstaan? als ik u vragen mag, sprak Beatriee kalm.
Mrs. Wilson met haar ouderwetsche ideés meende dat geen dame bezoek kon ontvangen, liggende op een kanape zoo zij niet ongesteld was, en Beatriee was dit niet. Eensklaps werd de portière, die het boudoir van de zijkamer scheidde, opengeslagen, en een welbekende stem vroeg:
— Mag ik binnen komen? Gij gaaft mij onlangs hiertoe verlof, anders had ik het niet gewaagd u heden die gunst te vragen, en in een oogenblik boog Lord Vale towers zich over zijn aangebedene, drukte zacht haar teedere vingers in zijn hand, terwijl de bloem op haar borst zoowel als de geur van haar kapsel hem bedwelmde.
— Wat komt gij laat! Ik had u al opgegeven.
— Dus hebt gij aan mij gedacht? vroeg hij op gedempten toon. Waarlijk, ik zou hier reeds sedert lang geweest zijn; maar mijn moeder had bezoek, en ik kon niet weg. Nu zelfs is zij woedend, omdat ik heen gegaan ben.
— Wist zij dat gij naar mij toe gingt? vroeg Beatrice met argwaan.
— Waarschijnlijk raadde zij het; maar het kan mij niet schelen, of zij het al of niet doet.
— Ik vrees, dat gij geen zeer onderdanige zoon zijt.
— Een man kan zijn geheel leven door niet aan den leiband gaan. Dat is het ergst van een huis met veel vrouwen; zij willen altijd dat een man naar hun pijpen danst.
— Gij zijt niet zeer galant tegenover onze sekse, zei Beatrice lachend.
— Wel zeker ben ik het, sprak de Lord; maar gij weet niet hoezeer mijn moeder en zusters mij soms hinderen, bekende hij meer waar dan beleefd. Zij meenen het goed, dat weet ik wel, voegde hij er vergoelijkend bij.
Eenige oogenblikken later verliet Mrs. Wilson de kamer.
— Den Hemel zij dankt riep de Lord uit, toen zij buiten het gehoor was, nu zijn wij ten minste alleen! Beatrice, waarom moet die vrouw ons altijd bespieden? Zij merkte op, dat hij haar voor de eerste maal bij haar doopnaam noemde, en een gevoel van zegevierenden trots kwam op in haar borst; maar zij sloeg haar heldere oogen tot hem op, en hij sloeg de zijne neer.
— Vergeef mij! Uw naam vloeide onverwacht over mijn lippen, omdat hij altijd mijn gedachten bezig houdt, sprak hij. Gij zijt er immers niet boos om?
— O, neen, ik ben er niet verstoord over, gaf zij op zachten toon ten antwoord. Om u de waarheid te zeggen ik heb zoo weinig bloedverwanten of zelfs vrienden gehad, dat mijn eigen naam mij vreemd in de ooren klinkt.
— En toch is het zulk een schoone, zei Lord Valetowers galant.
— Maar zeg mij eens, waarom hebt gij zulk een afschuw van mijn oude vriendin Mrs. Wilson? Waarom mag zij niet bij ons zijn? vroeg Beatrice.
— O, ik heb een hekel aan alle oude vrouwen; zij hinderen altijd, en zij zit daar ons aan te kijken, als een oude kat, die op een muis loert.
Mrs. Reizardt toonde zich niet verder beleedigd, over zijn hekel voor haar gezellin; Lord Valetowers won zich koortsachtig op. Hij zocht te vergeefs al zijn moed te vergaderen, om zijn aangebedene ten huwlijk te vragen, en als hij op het punt stond dit te doen, fluisterde de voorzichtigheid hem toe, dat het noch beter was het uit te stellen. Hij was niet volkomen zeker van zijn zaak, en het was wijzer zijn betrekkingen te huis eerst zachter te stemmen voor zijn plannen. Hij wilde in geen enkel opzicht toegeven, maar alles zou aangenamer en beter gaan, als er geen hinderpalen in den weg stonden. En Beatrice hielp hem volkstrekt niet. Zij lag op haar kanape uitgestrekt, en speelde tusschenbeide met een grooten Spaanschen waaier, die zelden uit haar handen was.
— Mrs. Reizardt, vroeg Lord Valetowers eensklaps, terwijl hij zijn stoel dicht bij haar trok, bewijs mij een gunst, ik weet wel dat ik ze niet moest vragen, maar ik kan het niet laten, dat is de waarheid. Wij worden nu oude vrienden niet waar?
Zij richtte zich op, en bedekte haar gelaat met de handen. Zij dacht dat het gewichtige oogenblik was aangegebroken en kon niet wensehen, dat hij noch langer zou dralen.
— Eerst moet ik uw wensch hooren, voor den tijd kan ik niets toestaan, sprak zij langzaam.
— Mag ik, als wij alleen zijn — tusschenbeide meen ik — u Beatrice noemen? Het is zulk een schoone naam.
— Is dat alles? vroeg zij verlicht. Nu dat is gean groote gunst, maar toch moet ik ze weigeren. Wat zou uw moeder en vrienden, zelfs mijn oude vriendin denken?
— Denken! Het hindert ons niet, wat zij denken? Zij kunnen denken, wat ik hoop dat spoedig iedereen weten zal; zij wist nu dat zij het spel had gewonnen.
— Maar gij zijt nu zoo koel, zoo geheel anders dan gij placht te zijn. Gij houdt mij op zulk een afstand. Ik heb u nooit zoo gezien. Gij weet niet hoe ongelukkig gij mij maakt; en waarlijk het smalle, burgerlijk gelaat, met zijn dun rood haar, zag er zeer ongelukkig uit; het doffe licht was er gunstig voor.
— Ik denk er niet aan, sprak zij zacht, u of iemand ongelukkig te maken. Zoo het u gelukkig maken kan; noem mij dan heden avond Beatrice, maar later niet meer.
Toen toonde hij zich verrukt, en dankte haar vurig. Hij wist dat als eens deze zaak was toegestaan, de vergunning niet kon worden ingetrokken.
— Beatrice, welke ring is dat, die aan uw derden vinger schittert? vroeg hij vol achterdocht. Het is die, welke mijn moeder onlangs zag, en zoozeer bewonderde. Over dezen ring en een tafel, die zij hier zag, spreekt zij voortdurend; het is een antiquiteit, en de oude dame dweept met zulke zaken.
— Wel waarschijnlijk, ik heb zooveel ringen, en den gelijke snuisterijen. Het is een kostbare, dat geloof ik ook; mijn echtgenoot gaf hem mij; hij hield dien in hooge waarde; — het laatste gedeelte van wat ze zei, was waar, niet het eerste. — Hij is zoo nauw, det ik hem moeilijk kan afleggen.
— En ik zie hem gaarne waar hij nu is, zei hij, toen stak hij zijn hand uit, en zij was genoodzaakt haar eigen, zachte, blanke met den schitterenden saffier in de zijne te leggen; hij sloeg geen acht meer op den ring; maar hiel haar hand vast, drukte ze zacht, en voordat het haar gelukte ze los te maken, had hij ze aan zijn lippen gedrukt.
— Lord Valetowers, het is reeds zeer laat, ik moet u wezenlijk weg zenden, sprak zij half opstaande, toen stond hij ook op, draalde noch een oogenblik; hij, zoowel als zij zelf, wilde vermijden dat er een smet viel op den naam der toekomstige Lady Valetowers.
— Wanneer mag ik terug komen? vroeg hij.
— Wanneer gij wilt. Ik ben niet gewoon de bezoeken mijner vrienden te beperken, zei ze glimlachend. Maar Donderdag dineer ik bij de familie Greville, en op Vrijdag geloof ik bij uw moeder.

Wordt vervolgd.

LAATSTE BERICHTEN.




Aangekomen Passagiers te Batavia 18 Nov.,

per Ned. Ind. SS. Sindoro, kapt. Lindeman, van Soerabaia: de heeren Insp. Schuijlenburg; Luit. t/zee Ziegenhirt von Rosenthal; Luit. t/zee C. F. A. Gregorij; Luit. t/zee H. C. Achenbach; Machinist Boon; C. N. Gobeler; Quarters; Mevr. Arathoon en dochter; Inlanders, Chinezen, Z. M. troepen en bannelingen; van Samarang: de heeren Luit. t/zee A. C. Zeeman; Thomas; Wille; Verkouteren; Mevr. de Wed. Baumgarten.



Vertrokken Passagiers van Batavia 18 Nov.,

per Ned. Ind. SS. Bromo, kapt. van Loenen, naar Muntox: de heer van Vuuren, echtg. en 2 kinderen; naar Biouw: de heeren Luit. der Art. Almerood; Luit. t/zee Vos; Mevr. Witbols Feugen en 3 kinderen; naar Deli: de heer Offic. van Gez. van Dam; naar Singapore: de heeren Nahapiet; Donbin; Wilson; Jac Lee; Ferrari; Madame Patti en 4 personen; Mevr. Klieks; naar Atjeh: de heeren Luit. der Art. Poppen; Luit. Capelle; Inlanders, Chinezen, Z. M. troepen en bannelingen.

Straat Sunda Gepasseerd.



datum natie n.d. schepen gezagv. van datum vertrek naar


Nov. 9 Am. Cremonn. Gool. Singap. 25 Oct. Marseille.
10 Ned. Twee Vrienden Blom. Tjilat. 2 Nov. Bangkok.
Duits. Paul Thormann Martens. Newc. 7 Juli Samar.
Sein Q.B.C.D. o/d. W.
11 N. I. Mabel. Bursley. Batav. 10 Nov. K. Eil.
Gebroed. Smit. Ruhaak. Batavia.
12 Eng. Skiddaw. Rowley. Bangk. 7 Oct. Kan. v. O.
14 N. I. SS. Utrecht. Rost. 3 „ Batavia.
15 „ Banda. Cramer. Batav. 15 Nov. Tjilatjap.
Eng. Bowfell. Collins. Manilla 25 Sept. Liverpool

Aangekomen Schepen te Batavia.

datum natie n. d. schepen gezachv. van agenten
Nov. 16 Fr. Nidal Ferrandini Saigon

Vertrokken Schepen van Batavia.

datum natie n. d. schepen gezachv. naar
Nov. 17 N. I. Cornelia Elisabeth Steszel Bangkok.
„ 18 SS. Bromo v. Loenen Atjeh.

Scheepstijdingen.

ROTTERDAM, 25 Sept. Volges particulier bericht zal het Ned. fregatschip Utrecht, kapt. Nannings, na ontlossing der lading steenkolen te Acheen en Penang, van daar verzeilen naar San Francisco, ter inneming eener lading graan met bestemming naar Europa.
BORDEAUX, 20 Sept. Het stoomschip Clapeyron is 18 dezer van West Indie te Pauillac aangekomen, met geele koorts aan boord; acht personen zijn naar het lazareth gezonden; het stoomschip ligt nog op de reede.
HELSINGFORS, 29 Sept. Het schip Speculant, kapt. Hustede, van Java met suiker, is dwars af van Bagharn nabij Grahava aan den grond geraakt.
ST. HELENA, 4 Sept. De Cornelia Smit, van Java l. v. Mauritius, hier gepasseerd, heeft geseind dat den 9en Aug. de kluiverboom gebroken is.
KAAPSTAD, 29 Sept. De gezagvoerder van het Eng. transportschip Tyne, rapporteert den 24sten Sept., op 36° ZBr. en 24° OL. het verlatene en in brand staande schip Mathilde te zijn gepasseerd, het wordt verondersteld een Spaansch schip te zijn, van Manilla bestemd naar Liverpool.
YOKOHAMA, 21 Sept. Het stoomschip A. E. Nordenskjold, hetwelk bij Behringstraat op strand heeft gezeten, is gerepareerd en volmaakt zeewaardig.
NEW-YORK, 18 Sept. Het Ned. schip Van der Palm, van Pensacola naar Dublin, nabij Jupiter Inlet gestrand, is totaal wrak geworden. (Zie scheepstijding van 12 Sept.)
SURINAME, 4 Sept. De Ned. schepen Sympathie, kapt. Harken en Piet Hein, kapt. Vil, zullen van hier in ballast naar de eilanden verzeilen (vermoedelijk Barbados of St. Thomas).
SAN FRANCISOO, 25 Sept. Een walvischvaarder, hier van de poolstreken aangekomen, rapporteert dat er geen bericht is van het Noordpool-ontdekkings-vaartuig Jeannette, toebehoorende aan den heer Bennet, eigenaar van den Newyork Herald, evenmin als van de vermiste walvischvangers. De stoomboot Cerwin, die tot assistentie van de Jeannette was afgezonden, is door het onstuimig weder verhinderd de reis voort te zetten.

Gepraaide Schepen.

11 Aug., op 19° ZBr. en 27° WL., Jan van Haaften, Cherpion, Rotterdam naar Batavia; 44 d. reis.
31 Aug, op 16° NBr. 27° WL, River Leven, Cardiff naar Anjer.
8 Sept., op 33° ZBr. en 16° OL., Erasmus, van Baalen, van Batavia, l. v. Mauritius, naar Rotterdam.
3 Oct., bij Dover, Ned. fregat Ottolina, Ouwehand, van Rotterdam naar Batavia; alles wel aan boord.

Verantwoordelijk Redakteur, H. B. VAN DAALEN.


Snelpersdruk H. M. VAN DORP & Co. te Batavia.