Naar inhoud springen

Pagina:Kartini - Door Duisternis Tot Licht (1911).djvu/198

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

174

bedaard zijn gang; en al hoorde hij me, wat zou hij zich storen aan den wensch, 't verlangen van een dwaas meisjeshart? Rustig gleed 't gevaarte voort over den wèlgebaanden ijzeren weg, en op den gewonen tijd stoomde 't het zoo gevreesde eindstation binnen.

Met geweld drong ik dien akeligen bobbel, die me in den keel schoot, terug, dat verdacht branden in mijn oogen; ik beet op de lippen om ze het beven onmogelijk te maken. Zoo stond ik tegenover haar, zwijgend, haar aankijkend met omfloersden blik — zij hield làng mijn hand vast en zeide zacht: "Gij zult een harden strijd te voeren hebben, doch wees ferm en moedig en opgewekt, hoop en vertrouw!" Nog één warmen stevigen druk van hare zachte hand, nog één innigen blik uit die lieve, lieve oogen, en zij stond op 't perron. "Geef mij nog een handje!" vroeg zij lief ons allen. Vlug, vlug, die akelige bel klonk reeds — ai — wat deed haar harde klank nu een pijn!

Een schok — de wielen der wagens bewogen zich, en langzaam rolde de trein 't stationsgebouw uit.

Zij wuifde met haar zakdoekje, hij met zijn hoed. De tram versnelde zijn vaart. Daar gingen ze, daar vlogen ze weg, vèr, ver weg van ons, menschen ons een etmaal geleden nog volkomen onbekend, en nu een stuk van mijn ziel, onafscheidelijk van mijn bestaan!

O! Leven, raadselvol Leven, wanneer zult gij ons eens ten vòlle uwe geheimenissen openbaren?