190
O! wij kunnen, wij willen niet gelooven, dat onze levens, zoo gewoon, banaal, als duizenden anderen voor en na ons, zullen eindigen. En toch, soms lijkt ons iets anders zoo onwaarschijnlijk! Nu eens schijnt de vervulling onzer dierste en innigste wenschen zoo nabij, dan weer staan wij er zoo eindeloos ver van af.
Er zijn uren, waarin 't heen en weer geslingerde en gefolterde menschenhart in vertwijfeling vraagt: "Mijn God, wat is dan toch plicht?"
Zelfverloochening heet plicht en zelfverwezenlijking heet plicht: hoe kunnen twee dingen, die lijnrecht tegenover elkaar staan, beiden plicht heeten en zijn?
"Blijf", zegt luid hierbinnen een stem, "blijf, bestrijd uwe eigen wenschen en verlangens ter wille van hen, die u dierbaar zijn en aan wie gij dierbaar zijt; deze, uw strijd adelt uw menschzijn. Blijf!" En dan weer klinkt het even hard en krachtig: "Ga, werk aan de verwezenlijking uwer idealen; werk voor de toekomst; werk voor 't heil van duizenden, die gebukt gaan onder onrechtvaardige wetten, onder een valsch begrip van goed en kwaad; ga, ga, lijd en strijd, maar werk voor de eeuwigheid!" Wat is nu hooger plicht, 't eerste of 't laatste?
Egoïsme heb ik steeds beschouwd als de slechtste ondeugd, die er bestaat, en het diep, diep verfoeid;