Naar inhoud springen

Pagina:Kartini - Door Duisternis Tot Licht (1911).djvu/266

Uit Wikisource
Deze pagina is niet proefgelezen

240

vroeg mijne medewerking voor zijn blad: "De Nederlandsche Taal", tijdschrift voor Inlanders.

Ik mocht, schreef den Heer Boes, kreeg een brief terug, er werden mij eenige onderwerpen ter behandeling gegeven: "Inlandsch onderwijs voor meisjes", "iets over Inlandsche kunst" en "een nuttige Inlandsche instelling".

Toen zijn we naar Batavia gegaan. Er kwam zooveel tusschenbeide nog, ik kon niet aan de pennerij doen, en daarna werd ik toch zoo wanhopig om het wel mogen vandaag, en morgen weer niet, dat ik mijne paperassen verscheurde. Echt dom van me.[Pg 151]

Ik kan bij wijlen en tijden zoo'n driftkop zijn. Ik was wanhopig; ik mocht alleen onzin schrijven; ernstige dingen mocht ik niet aanroeren.

Toen ben ik gaan denken, als ik over die dingen schreef, zou ik stellig heel de Inlandsche wereld tegen mij hebben, en als ik dan onderwijzeres werd, wie zou mij zijne kinderen willen toevertrouwen? Ik zou gewoon krankzinnig verklaard worden. En toch, dat denkbeeld is mij zoo lief, om door middel van de pers onze zaak te dienen. Stel u voor een school zonder kinderen, eene onderwijzeres zonder leerlingen!—maar zoo ver zijn we nog niet. Wij moeten eerst zien, hoe wij zouden kunnen studeeren. Wij zullen eerst trachten Vader over te halen ons verzoek aan den Gouverneur-Generaal te steunen.

Wij zullen er maar niet al te zeer op vlassen, dat ons verzoek zal worden toegestaan. En o God, als 't