Naar inhoud springen

Pagina:Kartini - Door Duisternis Tot Licht (1911).djvu/274

Uit Wikisource
Deze pagina is niet proefgelezen

248

een zich van mij afkeerde, mij smadelijk verstiet, zouden Vader, Moeder 't ook doen? Neen—dat zullen ze niet; ik blijf hun kind, een plaats in hun hart behouden, al had ik 't vreeselijkste gedaan. En er kwam eene groote verteedering over mij. Terwijl wij hier in onze kamer zitten te pieken aan Kleintje's kleeren, (ze wil niet hebben, dat een vreemde er aan komt; wij moeten alles zelf doen), gaat de deur telkens open en komt Vader binnen ... om dit weerspannige hoofd te streelen, waarin zoovele oproerige gedachten woelen.

Over vier weken zal zus niet meer in ons midden zijn. ?Jullie zullen mij erg missen, dat weet ik", zei zij. Eens alles drie geweest, altijd drie bijeen, en dra?...

Wij zullen nooit kunnen vergeten.

15 Februari 1902. (I.)

Als mij iets onaangenaams van de menschen overkomt, dan brengt dat mijn bloed aan 't koken, ben ik verontwaardigd, maar daarna komt er zoo iets als vreugde over me: ik ben blij dat zij 't zijn, die mij het aandeden en niet ik hun, want dan zou ik laag zijn, en als ik dan bedroefd ben, is 't omdat zij met die laagheid mij schandelijk onrechtvaardig bejegenden.

Vergeef me, dat ik nu eerst je schrijf; zoo dadelijk