Pagina:Keulemans - Vogels van de Kaap-Verdische Eilanden (1866).pdf/24

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 386 —

 

LAMPROTORNIS CHRYSOTIS.

Deze soort is op Prinseiland uiterst zeldzaam, doch op het vasteland van Afrika, iu Gaboen, vrij algemeen, en wordt aldaar Merle violet genoemd. Eens vond ik een mannetje, dat met L. ignitus in gezelschap was. De inwoners zijn van meening, dat Lamprotornis chrysotis het oude mannetje is der voorgaande soort. De voorwerpen van Prinseiland vertoonen geen het minste verschil met die uit Gaboen.


CUPHOPTERUS DOHRNI, HARTLAUB.

Deze vogel is over het geheele eiland verspreid en zeer algemeen. Hij komt zoowel in de stad als op de toppen der bergen voor, en vliegt in gezelschap van twee tot acht, somtijds van meer dan twintig stuks. Hij heeft, wat grootte en vorm aangaat, veel overeenkomst met Muscicapa grisola, doch de bek is minder breed.

De mannetjes zijn iets grooter dan de wijfjes; de kleuren zijn echter bij beide seksen dezelfde. De bovendeelen zijn grijsachtig, evenzoo de borst; de keel en overige onderdeelen geelachtig wit. De oude mannetjes hebben een smal streepje boven het oog, van dezelfde witte kleur. De jongen gelijken op de ouden, doch zijn kleiner en meestal iets lichter gekleurd. Deze vogels hebben grauwe pooten, een grauwen bek en donkerbruine iris.

Deze, op onzen tocht ontdekte, vogel heeft eenen fraaien, krachtigen zang, die door zijne zonderlinge onregelmatigheid met dien van geen enkelen europeeschen vogel te vergelijken is. Die zang bestaat uit een vast getal syllaben, welke de vogel echter telkens op eene ongeregelde wijze laat hooren. Somtijds houdt hij meer dan eene minuut lang denzelfden toon aan. Meestal begint hij met de syllaben: flesje, fisje, enz., en houdt alsdan plotseling op of vervolgt weder met: karri, ahi, tjoektjoek... enz. Somtijds uit hij zulke zonderlinge geluiden, dat men in den beginne een geheel anderen vogel meent te ontmoeten. Wanneer hij gestoord wordt, of zich over iets verwondert, laat hij een geluid hooren, dat met het zoogenaamde schateren van onze koolmees (Parus major) volmaakt overeenstemt. Wanneer hij met andere vogels of met zijne eigen makkers vecht, blaast hij even als de Parus major. Het wijfje zingt niet, doch maakt eveneens een schaterend of blazend geluid. Het geheele karakter van dezen vogel komt met dat van genoemde meessoort veel overeen, door zijne vrolijkheid, het schateren, blazen en het plagen dat hij andere vogels doet. Ook vervolgt hij andere kleine vogeltjes.