Pagina:Keulemans - Vogels van de Kaap-Verdische Eilanden (1866).pdf/25

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 387 —

Hij voedt zich hoofdzakelijk met kleine insekten en slakjes, doch eet ook beziën en zaden. Hij is buitengewoon mak en nieuwsgierig. Wanneer men een of meer uit een troepje schiet, vliegen de overigen niet weg, doch scharen zich allen rond hun gedooden makker of komen den jager bekijken, voor wien zij geen de minste vrees schijnen te hebben. Over een geweerschot op eenige passen bezijden hen gelost, zijn zij meer verwonderd dan bevreesd.

Verscheidene malen ben ik ooggetuige van hunne nieuwsgierigheid geweest. Eens bevond ik mij te midden van een boschje, uit lage heesters (Gojaves) bestaande, waar zich toevallig eenige dezer vogels ophielden. Daar ik geen voornemen had er een te schieten en ik mij meer met andere vogels bemoeide, sloeg ik weinig acht op hen. Eenige oogenblikken later hoorde ik hen nader komen, er waren toen omstreeks twintig, allen boven, naast, voor en achter mij. Het scheen dat zij nooit een menschelijk wezen zoo nabij gezien hadden; ten minste zij bekeken mij met zulk eene verwondering en kwamen zoo nabij, dat ik hen bijna met de hand had kunnen grijpen. Allen schaterden, zongen en blaasden. Toen ik mij verwijderde, gingen zij nog een eindwegs met mij. Bij eene latere gelegenheid trokken twee doode voorwerpen van hunne soort, die ik op den rug gehangen had, hunne aandacht.

Deze vogels broeien in Juni, Juli en Augustus, somtijds later. Hunne nesten zijn halfkogelvormig en even als de nesten van Oriolus galbula, aan twee nevens elkaar liggende takjes bevestigd, en wel met zulk eene nauwkeurigheid en berekening, dat men gemakkelijker het nest zou kunnen breken dan losmaken. De bouwstoffen, welke zij bezigen, zijn: drooge, dunne draden van banaanbast, dunne worteltjes, zachte doode boombladen en klawieren van klimplanten. Van binnen zijn de nesten met dunne draden, cocons en vederen belegd. De eieren, twee tot drie in getal, zijn vuil wit met graauwe en rosachtige stipjes, die naar het stompe einde grooter worden. Zij broeien gewoonlijk tweemaal 'sjaars, in het begin van Juni en in Augustus. De jongen worden hoofdzakelijk met beziën gevoed.

De inwoners noemen dezen vogel, naar zijnen zang, Siwie-fiesje: siwie beteekent: kleine vogel; fiesje is eene der eerste syllaben van zijn zang.


PARINIA LEUCOPHAEA.

Deze vrij algemeene vogel heeft de grootte van eene kneu (Fringilla cannabina) en is bijna geheel zilvergrijs. Er bestaat geen uiterlijk ver-