Pagina:Keulemans - Vogels van de Kaap-Verdische Eilanden (1866).pdf/30

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 392 —

gaans in de nabijheid der rivieren op. Men vindt hen meestal gepaard en zelden in gezelschap met andere vogels. Zij broeien na den regentijd, te weten in November en later.

Eieren of nesten heb ik niet kunnen verkrijgen.

Hun voedsel bestaat uit insekten, niettegenstaande zij ook zaden eten. Hun zang is kort en eentoonig, bestaande uit de syllaben: sji, sju, sjoe enz., welke zij langzaam herhalen. Het zijn stille vogels, die tamelijk schuw zijn en op Prinseiland in gering aantal voorkomen. Hun inlandsche naam is Siwie-gigoe; gigoe is afgeleid van de twee laatste syllaben van hun zang.


SYMPLECTES PRINCEPS.

Dit is de algemeenste vogel van het eiland. Zijne levenswijze en verdere eigenschappen zijn opmerkenswaardig. Hij heeft de grootte van den goudvink (Coccothraustes pyrhula). De mannetjes hebben de onderdeelen geel, den bovenkop en nek geelbruin, de verdere bovendeelen groenachtig. Hun bek is zwart, de iris lichtgeel en de pooten zijn vleeschkleurig. De wijfjes hebben een groenen bovenkop en nek; de buikvederen zijn vuil wit, de bek is geelachtig. De jongen hebben de kleuren der oude wijfjes, doch een grijze iris. Bij deze vogels is geen eigenlijke broeitijd te bepalen, daar men hen het geheele jaar door broeiende vindt, ofschoon zij in de maanden Juli en Augustus, meer broeien dan in de overige maanden. Het mannetje belast zich met het begin van den nestbouw en wordt, wanneer het eerste gedeelte, namelijk het aanhechten der draden, gemaakt is, door het wijfje bijgestaan. Doorgaans belast zich het wijfje met het aanbrengen der bouwstoffen, terwijl het mannetje den arbeid verricht. Deze vogels bevestigen hunne nesten aan de punten der palmbladen of aan dunne takken. Zij hebben doorgaans eene peervormige gedaante en verschillen dikwijls onder elkander, daar sommigen nagenoeg kogelvormig, anderen meer langwerpig zijn. De meesten zijn omstreeks een voet lang en ruim een halven voet breed. De plaats waar de eieren liggen en de ingang bevinden zich aan de onderzijde van het nest; beide zijn van fijne grashalmen gemaakt, en met grovere halmen of uitgepluisde palmbladeren bedekt, zoodat het geheele nest daaruit vervaardigd schijnt te zijn. Het wijfje legt twee groen-blauwe eieren, die in twaalf dagen uitgebroeid worden. Het broeiende wijfje verlaat het nest slechts twee tot driemaal daags, en wel om te drinken of zich te wasschen. Het voedsel wordt haar door het mannetje aangebracht. Men vindt hem meestal in de na-